website Esnirido

Welkom bij de website van Esnirido voor de mooiste verhalen en gedichten

BIJ DE KAPPER

Met geen mogelijkheid was het me vanmorgen gelukt mijn kapsel in een voor mij nog enigszins aanvaardbaar model te kneden. Zo kon ik vanmiddag echt niet naar de heer Dekker toe. Ik had geen keus gehad dan nog even snel een bezoekje naar de kapper te brengen. Kapper Guillermo was uitgesloten. Dan had ik een maand geleden al moeten reserveren. En mijn vroegere kappertje aan het plein was te ver weg. Dat zou ik ook niet meer op tijd redden. Dan bleef alleen de kappersfabriek Mundo over. Ik was er wel eens voorbij gelopen en had met verbazing de bedrijvigheid binnen bekeken. Tot aan achter in de zaak stonden er vier rijen lang van wel acht stoelen, elk gevuld met klanten met daarachter een in het bedrijfsrood gehulde kapper van Mundo.
Het deed mij nogal denken aan een fabriek waarin klanten als voorwerpen aan de lopende band in een zo snel mogelijke tijd werden geknipt. De tijd was daar kostbaar want elke minuut dat er te lang aan een klant werd gewerkt kostte weer tijd voor een andere klant. Ik had me afgevraagd wat er op die manier overbleef van de persoonlijke benadering van de klant zoals bij mijn vroegere kappertje op het plein waar je op elk moment van de dag kon binnenlopen. De zaak was meestal verlaten en alsof hij op je had staan te wachten nodigde de kapper je enthousiast uit in zijn stoel: ‘Ga zitten mevrouw Bakker, dat werd wel weer tijd he?’
Je kon er altijd terecht en hij nam alle tijd voor je alsof je de enige klant van die dag was (wat misschien zelfs wel het geval was).
Vanmiddag was mijn enige hoop echter gevestigd op Mundo. Ik aarzelde even om naar binnen te gaan. Had ik toch niet even moeten bellen om teleurstellingen te voorkomen? Dan was er echter het risico dat ik veilig van een afstandje telefonisch weggewimpeld werd.  Nu zou ik wellicht nog op een plekje van een klant die te laat was kunnen plaats nemen. Of wellicht waren er enkele klanten met makkelijke kapsels geweest waardoor er een gaatje in het schema was gekomen. Zo’n kortgeschoren hoofd was immers helemaal in bij kalende mannen en dat was een kapsel dat niet al te veel tijd kon vergen.
Ik tuurde door de immense etalageruit met de grote letters MUNDO naar binnen en zag de rijen stoelen allen goed gevuld. Met geknepen ogen telde ik maar liefst vijf kalende mannen. Dat bood perspectief. Bij het zithoekje voor de ingangsbalie zat slechts een oude mevrouw een tijdschriftje door te bladeren en verder was daar geen andere toekomstige klant te zien.
De mevrouw achter de balie had me plots in het vizier en keek met opgetrokken (zelf op het gezicht getekende) wenkbrauw vragend in mijn richting. Snel stapte ik naar binnen en kordaat liep ik in hetzelfde tempo naar de balie: ‘Kan ik mijn haar laten knippen?’
‘Had u gereserveerd mevrouw?’
‘Nee, nee, ik had gehoopt dat er misschien een plekje tussendoor open zou zijn.’
‘Schrijft u hier uw naam maar in het gastenboek, dan kunt u daar plaats nemen en zult u over een kwartiertje geroepen worden.’
‘Oh, fijn, dank u wel hoor, mevr..’
 Maar ik maakte mijn zin niet af omdat ik zag dat ze intussen haar hoofd al ongeïnteresseerd had weggedraaid, starend naar een plekje in de verte, intussen haar nagels bijveilend.
Achter de klassieke zware eikenhouten tafel met daarop enkele chique tijdschriften, nam ik plaats op een bordeaux rode stoel waar ik wegzakte in de zachte zitting.
Ik pakte een willekeurig tijdschrift met daarin de nieuwste moderne kapsels en verbaasde me over het aantal mogelijkheden dat een eenvoudige schaar, in combinatie met een pot gel of eventueel een krultang, de mensen tegenwoordig te bieden hadden. Dat was wat anders dan het standaard bloempotkapsel van weleer waarbij de kapper een touwtje om je hoofd bond en alles wat er onder vandaan kwam wegschoor. Daar kwam geen schaar aan te pas. Alleen een flinke handvol zeepschuim en later brillcream maakten je kapsel nog enigszins toonbaar naar de buitenwereld. En je hoopte maar dat het niet zou gaan regenen.
De deur ging open en een statige mevrouw trad binnen. Ik herkende haar meteen. Dat was die bekende advocate die vaak in praatprogramma’s haar mening gaf over de toestand in het land. Daar had ze altijd een prachtig volumineus kapsel dat recht deed aan haar eigen omvang en een gelijkenis had met het kapsel van onze vorstin. De kleur was er nu echter flink uitgegroeid; lange slierten grijze drab hingen tussen de blonde krullen naar beneden en het geheel zag eruit alsof er een emmer zeepsop zojuist over haar hoofd was gestort. Dat was andere koek dan het wonderbaarlijke model dat ze op tv ervan hadden weten te maken. Ik was wel benieuwd of de kappers van Mundo deze klus ook tot een goed einde zouden kunnen brengen. Het gaf in elk geval aan dat ze wel degelijk tot iets bijzonders in staat moesten zijn en mijn vertrouwen in een goede afloop groeide.
De advocate had zich inmiddels bij de balie gemeld: ‘ak had garasarvaard’ en de vrouw achter de balie die mij amper een blik had waardig gekeurd knikte nu met neergeslagen ogen, fluisterend: ‘Natuurlijk mevroi, u kunt direct gaan zitten. Loopt u maar mee met Loes.’
Vanachter een pilaar kwam een jong meisje, gehuld in de rode Mundo-cape tevoorschijn die vriendelijk knikte naar de advocate dat ze haar kon volgen. Samen liepen ze naar achter in de zaal waar eerst haar haren werden gewassen en ze daarna in een stoel aan de buitenkant werd gezet.
Verder kon ik ze niet volgen omdat mijn aandacht inmiddels werd getrokken door een jonge vader die met twee vrolijke meisjes binnen kwam huppelen. ‘Ik kom voor mijn dochters. Ik had gereserveerd.’
‘Ik wil niet als eerste.’ ‘Ik ook niet!’  krijsten de meisjes met hoge tonen door de zaal.
‘Doe eerst jullie vlechten maar uit, dan zien we wel verder ja?’ bromde de vader.
Op mijn schouder tikte een donkerharig meisje, gehuld in Mundo-cape: ‘Mevrouw Bakker, was er nog iets voor u bij?’ wees ze op het tijdschrift dat voor me lag, en zonder het antwoord af te wachten, vervolgde ze: ‘komt u maar mee.’
Ik volgde haar gedwee naar een stoel die ze me wees: ‘gaat u maar zitten met uw hoofd achterover. Doet u bril maar af’
Onhandig hield ik mijn bril in mijn hand en hing mijn hoofd achterover in de wasbak. Met een soepele beweging kreeg ik mijn eigen rode mundo-cape over me heen.
‘Alleen wassen of ook hoofdmassage?’
‘Eigenlijk heb ik vanmorgen al gewassen dus eh..’
‘Nee, wassen doen we altijd, anders kunnen we niet knippen.’
‘Doe dan maar alleen wassen’ mompelde ik terwijl ik met een schuin oog zonder bril probeerde te kijken wat er hierover op de prijslijst stond. Zoveel kon ik me op dit moment niet veroorloven. Ik had niet voor niks zo meteen een afspraak met de heer Dekker.
Na enig gesop op mijn hoofd spoelde ze de sop eruit en gebaarde me met druipend hoofd te volgen naar een andere stoel. Vanuit een ooghoek probeerde ik te kijken hoever het ervoor stond met de bekende advocate maar voor ik haar had kunnen zien werd mijn aandacht getrokken door de vlechten meisjes die gilden dat ze niet als eerste wilden.
Mijn kapster (‘Linda’ las ik op haar naamplaatje, rood met een zilver wereldbolletje achter haar naam) zuchtte diep, gebaarde me te gaan zitten en stak van wal: ‘Niks voor mij kinderen. Vreselijk als ik die moet doen. Ze schreeuwen maar en ze zitten nooit stil. Nee, liever niet.’
‘Weigert u ze dan of schuift u ze door naar een collega?’ informeerde ik beleefd.
‘Nee, dat mag niet, maar ik ben blij als ik ze niet heb. Kopje koffie?’
‘Nee, dank u wel.’ Ik wist niet zeker of dat me ook nog extra zou kosten en bovendien wilde ik netjes uit mijn mond ruiken als ik straks bij de heer Dekker om een extra lening zou gaan smeken. Mijn geld was helemaal op. Mijn spaarrekening had ik de laatste tijd tot diep in het rood geplunderd en ik zou alle trucs nodig hebben om aan extra geld te komen en een huisuitzetting te voorkomen.
‘Hoe had u het gehad willen hebben?’
‘Vanachter lekker kort en van voren en opzij lekker de krul erin laten dus zo lang mogelijk laten, beetje bijpunten hooguit.’
Daar had ik flink op geoefend. Na zo’n dertig knipbeurten zat de formule er nu goed in. Eerder moest ik steeds ter plekke bedenken hoe ik het wilde hebben maar op een gegeven moment had ik genoeg van al die worstelingen of van het gesputter als ‘dat laat ik aan u als expert over; ik vertrouw erop dat u doet wat het beste bij me past’ (en dan vervolgens thuis komen met een zeven maal op bloedige wijze neergestoken marmot op mijn hoofd met een rekening voor een extra permanent met kleurspoeling, terra omdat ‘die kleur op dit moment echt helemaal in is mevrouwtje dat maakt u hip en tien jaar jonger!). Vandaar dat ik destijds had besloten een vaste formule aan te houden met overigens nog geen enkele garantie dat het er ten allen tijde gelijk werd qua kwaliteit. Het risico was nu echter wel aanzienlijk geminimaliseerd.
‘Ik zou er ook niet aan moeten denken om zelf kinderen te hebben. Misschien als ik veertig ben, dat ik me dan nog bedenk. Voorlopig moet ik er echt niet aan denken!’ vervolgde Linda haar klaagzang.
‘Ach, ze brengen toch ook een hoop vrolijkheid’ kapte ik haar af om niet de indruk te geven dat ik haar gejammer onderschreef. Meteen had ik echter spijt. Het lot van mijn haar en wellicht van mijn toekomst lag in handen van deze Linda. In de spiegel zag ik haar smoel verstrakken. Haar fel rood gestifte mondhoeken (in de rode kleur van Mundo) gingen nog chagrijniger naar beneden hangen en verbeten knipte ze schijnbaar lukraak een pluk haar uit mijn wilde haardos waar al een half jaar geen schaar meer doorheen was geweest.
Zo’n kapper had toch maar een luguber beroep. Net een beul. Zonder erbij na te denken sneed zo iemand je haar eraf. Datzelfde haar dat jou maanden van je kostbare leven heeft gekost om het tot die lengte te laten groeien. Waarvoor je gezond voedsel hebt moeten eten om het zo mooi veerkrachtig te krijgen. Dat gebeurde niet zonder inspanning. En zo’n kapper nam dan zomaar een stuk van jouw leven van je af zodat het leek of het er nooit geweest was. Alle inspanningen en levensenergie verspilde moeite. Wat had het voor zin gehad om dat stukje leven te leiden als er achteraf toch niets van overbleef? Om je haren te laten groeien als elk spoor daarvan zorgvuldig uitgewist werd? Wat voor een gruwelijke verknipte geest moest je hebben om zo’n afschuwelijk beroep naar eer en geweten uit te kunnen oefenen? Kon zo iemand ’s nachts wel rustig slapen of zouden de verminkte levens van zijn slachtoffers hem achtervolgen in de meest afgrijselijke angstdromen?
Ik moest dit meisje weer snel te vriend krijgen voordat ze mijn leven definitief zou verwoesten met haar schaar maar ik kon maar geen opening voor een goed gesprek vinden.
Met geen mogelijkheid wist ik onze tot dan toe karige conversatie een goede wending te geven. Ik wist zelfs niet eens een geschikt onderwerp te bedenken om met dit meisje te bespreken. Wat interesseerde haar nou de beslommeringen van een vrouw van middelbare leeftijd? En wat wist ik nou van haar ongetwijfeld wilde jonge leven dat zich elke avond in donkere nachtclubs afspeelde, omringd door gespierde geilde jongemannen die geen oog hadden voor haar hooghartige blik en hangende mondlippen maar alleen voor haar goed gevormde lichaam dat zich hulde in de meest trendy kleren. Een leven vol met opwekkende middelen, drank, drugs en vooral geen kinderen. Want die waren saai en vervelend.
En laten die nou net wel de kern van mijn leven vormen. Mijn lieve kinderen waar ik sinds de affaire met John nog amper contact meer mee heb. Alleen Netty, mijn oudste wil haar moeder vergeven voor haar vergissing. De anderen zijn door hun jeugd nog niet in staat te vergeven. Niet hun moeder. De hele wereld mag dan verrot en verdorven zijn. Hun moeder diende tot het einde der tijden van onbesproken gedrag te blijven. En dat zij mij niet meer willen zien of spreken valt nog te begrijpen maar het gemis van mij lieve kleinkinderen is te groot.
‘De oren vrij laten?’
‘Nee, laat die maar half gedekt.’
Wat dacht die kinderhatende snol wel niet? Mij een beetje voor joker laten lopen met twee schotelantennes aan weerszijden van mijn hoofd? Ik begon zo langzamerhand oprecht te twijfelen aan het doel van deze exercitie. Wie weet zou mijn haar er na deze marteling nog slechter uit gaan zien dan het vanmorgen al op mijn hoofd zat. Ik tuurde door de waas heen naar de spiegel in een poging het voorlopige resultaat te bekijken maar besefte al snel dat het zonder mijn bril geen enkele zin had. Ik ademde voorzichtig in en probeerde de spanning weg te denken. Waarom waren er zoveel slechte mensen op deze wereld? En overal nog wel. Zelfs in deze kapsalon. Was er dan niemand te vertrouwen behalve mijn Wim zaliger? Natuurlijk had hij ook zo zijn streken maar in de kern was het een doodgoede man geweest. Tijdens zijn leven stak ik er nog wel eens de draak mee dat ik vast elders wel beter kon krijgen maar daar reageerde hij amper op. En achteraf terecht. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan om zo hooghartig te veronderstellen dat zo’n type als Wim en beter vast nog wel ergens rond zou lopen. Alleen blijven wilde ik niet. Het leven moest toch geleefd worden? En Wim had het goed gevonden. Hij had altijd gezegd dat hij alles goed zou vinden als ik maar gelukkig zou worden. De schat.
En ik maar daten na zijn dood. Stiekem, want de meisjes zouden het maar niks vinden. Dat had ik wel goed ingeschat. Als het dan echt iets zou worden kon ik ze altijd nog inlichten. Na verloop van tijd had ik alleen Netty verteld waar ik mee bezig was en ze had me plechtig beloofd het niet aan de anderen te vertellen op voorwaarde dat ik wel voorzichtig zou zijn. Ik had smalend gelachen en gezegd dat iemand op mij n leeftijd echt niet meer in zeven sloten tegelijk zou lopen. En dat klopte aanvankelijk ook wel. De ene na de andere afknapper kwam op mijn advertenties af. Van stofzuigzakkenverkopers tot diepvrieskistespecialisten. Allen met praatjes tot en met. Levensbeschouwelijk zo oppervlakkig als een schaaltje magere yoghurt. Met filosofietjes van de koude grond en een diepgang als een droge sloot. Maar allen pochend alsof ze de wijsheid in pacht hadden terwijl ze uiterlijk ook al niet al te veel te bieden hadden.
Toen had ik me maar op het internet begeven om zo mijn kansen te vergroten door ook medewereldburgers in verre oorden een kans te geven mijn Wim te vervangen. Mijn eerste mail terug was die van John geweest. John Smith uit New York. Dat klonk als een echte wereldburger. Dat was andere koek dan Klaas Hiemstra of Henk de Vries uit Appingedam of Uddel. En zijn woorden getuigden ook van wat meer diepgang dan die mijn ‘life’ dates die ik tot dan toe had ontmoet, hadden. Hij had het over ‘kindred spirits’ en over ‘how my words touched his hart’. Prachtige lange brieven mailde hij, vol complimenten over mijn mooie woorden en over hoe hij zeker wist dat wij voor elkaar bestemd waren. Ik was er vol in op gegaan. Bij de derde mail stuurde hij een foto. Een prachtige donker gekleurde man van Afrikaanse afkomst, zo rond de vijftig maar met een jonge sportieve kop erop. Voor ik het wist waren mijn nuchterheid en argwaan verdwenen als sneeuw voor de zon.
Achteraf kon ik mezelf wel voor mijn hoofd slaan; John Smith uit New York! Ik had hem nog gegoogled op internet maar er waren teveel hits om na te gaan welke nou de mijne was.
‘Achterkant zo kort genoeg of nog een stukkie eraf?’
‘Een paar centimeter bijpunten alsjeblieft.’
Hoorde ik daar een zucht die haar ergernis liet blijken? Kende dit wicht dan niet het oude adagio van de klant die koning was? Kon ik nou maar even mijn bril opzetten om te kijken maar dat durfde ik niet. Al te ruw duwde ze mijn hoofd opzij om mijn zijkant te bewerken. Zag ik daar nou in de verte de bekende advocate de zaak verlaten? Nou had ik nog niet het eindresultaat gezien! En wat nog erger was; ik had niet eens de kans gehad een praatje te maken met haar. Over hoe ik haar werk bewonderde en hoe ze altijd zo kordaat overkwam op de televisie. En wellicht had ze wel interesse in een zaak over oplichters die arme weduwen plunderden. Met haar aan mijn zijde zou ik het boeventuig zeker achter slot en grendel krijgen. Maar zo’n dure advocate kon ik natuurlijk nooit betalen want daar lag nou juist het probleem. Die John Smith had me helemaal failliet gepraat met zijn mooie beloftes. Hij zou naar Nederland komen voor een ontmoeting maar hij zat wat krap bij kas. Of ik hem niet even een ticket kon voorschieten. Kleinigheidje voor een weduwe die net alles van haar man overgemaakt had gekregen uit zijn erfenis. Een dag voor vertrek een spoedmailtje; hij kon niet komen want zijn broer lag plots in het ziekenhuis door een ongeval. Of ik op hetzelfde banknummer niet wat geld over kon maken voor de operatie. In deze toestand kon hij niet komen maar als de operatie gelukt was kwam hij met de eerstvolgende vlucht beloofde hij. En het geld zou hij meteen met me regelen. Op mijn aarzelende mail reageerde hij furieus dat ik toch geen onmens kon zijn om dit niet te willen begrijpen? Even later was zelfs mijn telefoon gegaan; John Smith zelf die mijn nummer via internet had achterhaald en belde om te laten weten hoe wanhopig in nood hij zat. Hij klonk zo vriendelijk en aardig en na enig aandringen ging ik overstag. De man had er immers toch maar liefst en half uur telefoonkosten vanuit New York voor over. Na de operatie kwam er een probleempje met zij familie in Nigeria waar hij heen moest. Dat begreep ik toch wel? Zijn halve familie dreigde uitgemoord te worden in een stammenoorlog. Hij moest daar zijn. En steeds weer die dwingende telefoontjes met die zachte doordringende stem die op me inpraatte om toch vooral geld over te maken om zijn familie te redden. Hoe kon ik immers van hem houden als ik niks om zijn familie gaf? En als ik niet over de brug kwam kon ik naar mijn eerder geld fluiten. Het was toch een kwestie van vertrouwen, zei hij. We vertrouwden elkaar; anders was er toch geen basis voor een relatie?
Ik vertrouwde hem intussen voor geen cent meer maar had het gevoel vast te zitten en niet meer terug te kunnen. Ik had al teveel geld in deze man gestoken en als ik niet doorging zou ik het in elk geval nooit meer terug zien. Netty had in die tijd als enige gezien dat ik wat bleek zag maar ik beloofde haar dat ik echt geen gekke dingen deed en dat er niets aan de hand was. Intussen leende ik grote sommen geld bij kredietbanken en voerde John de druk steeds meer op terwijl zijn komst verder weg dan ooit leek.
Tot de deurwaarder aan huis kwam om beslag te leggen op mijn spullen vanwege grote huurachterstanden en vele schulden bij diverse instanties. Mijn dochters begrepen er niets van en reageerden woedend en furieus. Ze wilden me nooit meer zien en spreken om zomaar hun vaders erfenis in zo’n korte tijd over de balk te gooien. Alleen Netty met haar trouwe hondenogen begreep hoe zeer een liefde een mens gek kan maken en bij haar mag ik inwonen tot ik uit mijn problemen ben en de kwestie heb opgelost.
De lieverd hielp me zelfs bij mijn aangiften maar de politie concludeerde al snel dat ze weinig konden doen aangezien de dader ongrijpbaar in het verre buitenland zit, waarschijnlijk lid van een beruchte Nigeriaanse oplichtersbende, en omdat ik geheel vrijwillig min geld heb overgemaakt naar zijn rekening. Onder elk afschrift stond mijn wettelijk geldende handtekening die ik met mijn volle verstand had gezet.
‘Zo in orde?’
Mijn kapsel was af. Nu hopen dat ik nog voldoende geld had. Ik had nog net twintig euro kunnen pinnen voor ik naar Mundo kwam.
‘Ik zag trouwens wel wat roosschilfers zitten. Daar zou ik wel wat aan doen als ik u was.’
Ik deed mijn bril op en tuurde via het spiegeltje, dat ze een beetje heen en weer zwaaide alsof ze me er koelte mee wilde toewuiven, naar mijn achterhoofd.
‘Ik zie niks geen schilfertjes, misschien waren het wat restjes gel die er nog inzaten.’
‘Nee, dat kan niet want het zat er na het wassen nog in dus ik zou er zeker wat aan doen. Toevallig hebben we deze week net deze speciale medisch verantwoorde shampoo tegen roos in de aanbieding; normaal 49,95 en nu maar voor 47,50!’ kraaide ze blij.
‘Nee, nee, dat hoeft echt niet.’ Schrok ik.
‘Komt u maar mee naar de kassa dan’ klonk het een stuk chagrijniger.
Ik sjokte achter de kinderhater aan en bedacht me hoe dat meisje het lef had om klanten zulke dure troep aan te smeren. En wie zou daar nou intrappen? Waarschijnlijk genoeg sukkels die zich lieten overtuigen door haar ‘expertise’ maar ik niet. Ik was genoeg afgezet voor de rest van mijn leven, dat overigens nooit lang meer zou kunnen zijn indien de heer Dekker mij niet zou kunnen helpen. Ditmaal zou ik er niet intrappen!
‘Dat is dan 21,50: 18,50 voor de knipbeurt en 3 euro voor het wassen.’
Dat secreet! Ik had nog zo gezegd dat ik niet gewassen hoefde te worden. De knipbeurt had ik nog wel kunnen betalen maar nu kwam ik anderhalve euro tekort. Ik kreeg het spaans benauwd tot ik opeens een ingeving had en bedacht dat ik nog een Mundo klantenkaart in mijn beurs had zitten. Daarmee kon je tegoed punten sparen na iedere knipbeurt. Na een aantal beurten kon je dan korting krijgen op alles services of producten die Mundo leverde. Ik herpakte me en probeerde zo onverschillig mogelijk mijn klantenkaart ter sprake te brengen bij het steeds arroganter kijkende wicht dat me vragend met haar rechterwenkbrauw hoog opgetrokken aankeek.
‘Is er een probleem mevrouw?’
‘Eh, nee, ik bedacht me alleen dat ik nog een klantenkaart had van Mundo, even zoeken in mijn beurs; Ja! Hier heb ik hem.’
Haar gezicht klaarde weer een beetje op en ze zag nieuwe kansen. Ze griste de kaart uit mijn handen, haalde hem door de automaat en concludeerde: ‘Nou, mevrouw, dat scheelt! U had er al wat punten op staan waardoor de shampoo u nu nog maar 44,50 hoeft te kosten! Dat scheelt nogal met de oorspronkelijke 49,50. Daar kunt u hem toch niet voor laten staan. Zeg nou zelf! Het gaat immers om uw kostbare hoofdhuis en uw uiterlijk.’
Ik slikte even mijn woede weg en vervolgde kalm: ‘En als ik die punten van mijn knipbeurt af laat halen, hoeveel ben ik dan kwijt?’
‘Als door de bliksem getroffen veranderde haar gezicht in onweer en mompelde ze: ‘dat wordt dan 18,50’.
‘Mooi’, schoof ik mijn 20 euro over de toonbank naar haar toe. Uit de kassa diepte ze een stapel dubbeltjes en muntjes van 20 op die ze me als wisselgeld terug schoof. Ik pakte mijn jas van de kapstok, zonder te wachten of de kapster deze zou aanreiken, en liep naar buiten. In de etalageruit van bekeek ik mijn hoofd in de ronde uitsparing van de laatste rode letter van Mundo. Deze vrouw zou er wel komen. Mijn haar zat best goed. Nu nog wat geld los peuteren van de heer Dekker en dan kon ik mijn leven weer oppakken. Mijn dochters zouden mij het heus wel weer vergeven en het zou snel weer zijn of er nooit een John Smith had bestaan.
Achter mij hoorde ik enkele kinderen krijsend gillen. In het spiegelbeeld zag ik de Poolse winkelcentrumclown beduusd staan kijken met zijn droevige ogen, grote rode mond en neus, flapschoenen en malle hoedje. In zijn hand hield hij een trosje ballonnen en zijn moed verzamelend stamelde hij met zijn karakteristieke raspende stem: “Wielen joelie ein baaloen?”
Zachtjes snikkend verscholen de kinderen zich achter de rokken van hun moeder.

APOCALYPS

Apocalyps

Met twee zware tassen, tot boven de rand gevuld met boodschappen, struikelde ik over de drempel via de achterdeur de keuken in. Een blikje erwten rolde van de stapel af, snel richting koelkast en vervolgens via de plint de woonkamer binnen. In plaats van het blikje later op te rapen en eerst de zware tassen te legen van hun inhoud, liet ik de boodschappen voor wat ze waren en sjokte ik nog nahijgend van de glijpartij (het ijzelde buiten en ternauwernood had ik valpartijen weten te ontlopen) de erwten achterna.
Buiten werd het al vroeg donker in deze periode en in de kamer was het schemerdonker. Met mijn elleboog knipte ik het licht aan.
Ik bukte me om de erwten op te rapen tot ik half in mijn zwaai naar beneden vanuit mijn ooghoek een geelbruin pluizig lijf ontwaarde waaruit een zacht gegrom uit te horen was. Een gilletje ontsnapte me en snel greep ik het blikje om dit in geval van nood als wapen te kunnen gebruiken.
Naar adem happend draaide ik mijn hoofd langzaam in de richting van het bankstel. Daar lag doodgemoedereerd een grote leeuw relaxed tevreden te spinnen met half gesloten ogen. Onder zijn kin aaide tot zijn grote tevredenheid het driejarige handje van mijn zoontje Jona het zachte velletje alsof het een klein handzaam poesje betrof.
‘Wa..Wat is dit?’ stamelde ik verrast, pogend mijn angst te verbergen om Jona niet in paniek te brengen. Voor je het wist had de leeuw hem in een hap verslonden omdat ik onverwachte bewegingen zou maken of hysterisch in paniek zou raken. Dat mocht niet gebeuren dus ik bleef ogenschijnlijk heel kalm en rustig.
‘Isse leeuw mama!’ kraaide Jona enthousiast, ‘Lief he?’
‘Hoe komt die nou hier?’
‘Heb ik gekregen om mee te spelen! Lieve leeuw, aai, aai’ kroelde hij door zijn dikke manen.
‘Van wie dan liefje?’ lukte het me bijna niet meer mezelf in bedwang te houden.
Op dat moment hoorde ik de w.c. doortrekken. De leeuw keek even verstoord richting het halletje waar het geluid vandaan kwam om zich daarna nog harder spinnend over te geven aan het geknuffel van Jona.
De deur van de hal ging open en alsof er niets aan de hand was, liep mijn vriend naar binnen, stapte over de leeuw en ging zitten op de bank. Bij het pakken van zijn krantje zag hij mij pas staan en vroeg olijk knipogend: ‘Hee liefje, nu al thuis? Niet uitgegleden hoop ik?’
‘Marcel’, sprak ik op ijzige toon om duidelijk te maken dat ik het serieus meende, ‘Wat doet die leeuw in onze woonkamer?’
‘Och, een aardigheidje. Ik kon hem voor een prikkie mee krijgen en ik dacht dat het wel aardig zou zijn als kameraadje voor Jona en moet je nou es kijken hoe dol die twee al op mekaar zijn!’
‘Meekrijgen? Van wie dan? Wie verkoopt er nou een tweedehands leeuw aan een vader van een driejarig kind? Wat is dit voor gekkigheid? Ben je nou helemaal compleet doorgedraaid?’
De leeuw kneep zijn ogen toe en keek dreigend in mijn richting. Heel even krulde hij zijn bovenlip, om mij zijn blinkende tanden te laten zien. Zijn actie had direct resultaat en ik matigde snel mijn toon en begon te fluisteren naar mijn vriend die me met een stompzinnige grijns glunderend aanstaarde alsof hij trots was op zijn actie en zich intussen vrolijk maakte om mijn bezorgdheid.
‘Marcel, hoe haal je het in je hoofd?’ fluisterde ik indringend, ‘wil je ons allemaal dood hebben?’
‘Meisie toch. Maak je toch niet zo druk. Zo’n leeuw is zo mak als een lammetje. Hij is tam hoor! En je weet toch hoe dol Jona op leeuwen is? Dan is zo’n leeuw in huis toch ideaal? Hoeven we niet elk weekend tegen heug en meug naar de dierentuin om vervolgens alle dieren over te slaan en weer twee uur voor het leeuwen hok te zitten om Jona dan gillend van verdriet weer bij zijn vriendjes vandaan te trekken.’
‘Ideaal? En waarom denk je dat die beesten achter tralies zitten in de dierentuin? Omdat ze zo lief zijn voor kindertjes?’ siste ik cynisch.
‘Ach, ach, dat is toch allemaal show schatje. Zo’n leeuw is keurig afgericht en speelt dat spelletje gewoon mee. Het is net als dat worstelen op tv, dat is toch ook hartstikke nep? Nee, hoor, leeuwen zijn lieve dieren en prima geschikt voor in huis: je kan ze knuffelen, ze zijn hartstikke trouw en ’s avonds ligt ie gewoon voor de bank en kan je lekker je voeten op zijn rug liggen. Dan worden ze lekker warm en je krijgt er niet zulke zweetpoten van als met die pantoffels.’
Het duurde even voor ik mijn mond weer dicht had en opnieuw de aanval kon openen: ‘ En wat eet zo’n lief knuffelbeest dan wel niet? Heb je daar al aan gedacht, flapdrol!’
‘Mwoah, pinda’s of zo? Weet ik veel, dat zoek ik straks wel even op in de dierenencyclopedie. Misschien kan ie wel gewoon met de pot mee eten.’
‘Hoe had je dat gedacht? Met zijn poten op tafel, hangend alsof ie aan de bar een biertje drinkt? Of maken we een aparte leeuwenstoel voor onze gast? Heeft ie vandaag eigenlijk al wat binnen gehad? Voor je het weet schrokt ie Jona ineens naar binnen. Haal die jongen direct weg bij dat beest.’
‘Mens, laat dat jong toch lekker genieten. Moet je kijken hoe dol ze zijn op elkaar.’
Jona was op de rug van de leeuw geklommen en begon aan zijn manen te trekken: ‘hop, leeuwtje hop!’
De leeuw keek schuin omhoog en liet een korte grom horen.
Met gevaar voor eigen leven trok ik een sprintje, sleurde Jona van de leeuw en rende met hem naar de keuken waar ik het kinderhekje naar de kamer achter me dicht trok.
Als een bezetene begon ik te zoeken in de boodschappentassen naar iets eetbaars voor het beest zodat ie in elk geval eventjes rustig zou blijven.
Op zijn gemakje was de leeuw intussen opgestaan en in een rustig tempo slenterde hij naar het hekje waar hij met zijn kop nieuwsgierig over heen keek, de keuken in.
De angst gierde door mijn keel en van de schrik trok ik een bruin brood, ongesneden (want dan kan je zelf altijd van die lekkere dikke plakken snijden en dat lijkt op de een of andere manier lekkerder te smaken dan die door de fabriek gesneden meuk), uit de tas en wierp dat naar het hoofd van de leeuw.
Met een onverwachte snelle beweging van zijn hoofd ving hij het brood tussen zijn vervaarlijke kaken en maalde hij het in een paar tellen naar binnen. Hoe snel zou hij de kleine Jona wel niet naar binnen kunnen schrokken? Ik was er net op tijd bij geweest.
‘Marcel?’ piepte ik over het hoofd van de leeuw de woonkamer in.
‘Hmmm?’ Schrok hij op uit zijn krantje waar hij in was gaan zitten lezen alsof er niks aan de hand was, alsof ons gezin niet midden in een crisissituatie verkeerde.
‘Ik blijf hier geen minuut langer. Ik neem Jona nu mee en ik kom niet eerder terug dan dat de leeuw uit ons huis is verdwenen. Hoor je me?’
‘Toe, doe nou niet zo kinderachtig. Laat dat beest nou. Denk aan je kind. Die is er zo dol op.’
‘Ik doe het juist voor mijn kind. Ik neem mijn mobiel mee dus je kan me bellen als dat beest weg is. Het maakt me niet uit hoe je het doet als je het maar ons huis uit krijgt. Tabee!’
‘Maar luister nou, maak toch niet altijd overal zo’n…..’
Meer hoorde ik niet want ik had de deur achter me dicht gegooid nadat ik de boodschappentassen en Jona naar buiten had geduwd. Het blikje erwten mochten Marcel en de leeuw houden, mochten ze echt verder samen het leven willen delen.
Jona begon te krijsen: ‘Mamma, mag leeuw niet mee, mamma?’
‘Nee, leeuw blijft bij papa, stap maar in de auto.’
‘Waarom mag leeuw niet mee, mamma? Ik wil leeuw mee! Leeuw is van mij!’
‘In de auto, nu!’ riep ik boven zijn gekrijs uit.
Met hangen en wurgen kon ik hem vast maken in zijn kinderstoeltje. Na de boodschappen in de kofferbak te hebben geladen, reed ik de snelweg op, de radio hard aan op mijn favoriete zender om zo min mogelijk van het gejammer van Jona te horen.  Waar zou ik nu eens heen gaan? Ik bedacht me dat we vorig jaar zo leuk op vakantie waren geweest op zo’n vakantiepark met van die leuke goedkope huisjes. Daar zou ik het eventueel wel een weekje kunnen uithouden. Daarna zou ik wel verder zien.
Bij een benzinepomp was Jona alweer wat gekalmeerd. Na het tanken besloot ik hem te belonen met wat snoep. Zelf had ie liever een ijsje maar dat knoeide zo in de auto en bovendien was het weer daar nu te koud voor. In de rij voor de kassa keek ik in de bak met snoep en zag nog net een zak met zijn favoriete snoepjes liggen, die met leeuwenkoppen erop. Ik bukte om ze te pakken toen een oudere vrouw ze vlak voor me weg greep. Ze aarzelde en vroeg een jongen naast haar of hij die zak wilde of liever die puntzak met rode snoepjes.
‘Maakt me niet uit’ haalde de jongen zijn schouders op.
‘Als het jullie toch niet uit maakt, zou ik dan die zak mogen?’ probeerde ik, ‘Dat is namelijk het lievelingssnoep van mij zoontje, ziet u.’
‘Ach, nou in dat geval, hier mevrouw, dan nemen wij die andere wel, he Jos?’
‘Is goed. Gaan we nu?’
‘Kom, Jos, niet zo onfatsoenlijk!’
‘Dank u wel mevrouw, mijn zoontje zal u dankbaar zijn’ kwam ik tussenbeide.
‘Graag gedaan hoor, hoe heet ie? Uw zoontje?’
‘Jona, en hij is dol op leeuwen, vandaar. Alhoewel dat niet altijd even handig is.’
De oude vrouw keek me niet begrijpend aan.
‘Tja, wellicht’ peinsde ze, en toen vervolgde ze snel ‘Gaat u nu naar de dierentuin?’
‘Nee, nee, daar ben ik afgelopen tijd vaak genoeg geweest. Ik ga met mijn zoontje er even tussenuit.’
‘Waarheen, als ik zo vrij mag zijn dat te vragen?’
‘Naar dat nieuwe vakantiepark iets verderop. Dat schijnt heel mooi te gaan worden. Ik ben al eerder op een ander park van die keten geweest en dat is ons goed bevallen.’
‘Oh, ik wist niet dat het park al af was, tjonge zeg. Maar dat is wel in de goede richting.’
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik, intussen afgeleid door de meneer van de kassa waar ik aan de beurt was.
‘Nou, als ik u een gunst mag vragen; mag mijn zoon Jos dan met u meeliften? Ik zou hem eigenlijk zelf weg brengen maar ik ben al oud ziet u, en ik heb al heel lang niet meer gereden en vind het eigenlijk wat eng met deze gladheid. En u ziet er wel betrouwbaar uit. U kan vast goed rijden.’
‘Eh…u overvalt me een beetje.’
‘Jos is een hele lieve gevoelige jongen en het is maar een klein stukje’ probeerde ze me te overtuigen.
Omdat ik geen zin had in langer uitstel en het wellicht een goede afleiding zou zijn om de leeuw te vergeten stemde ik in. De oude vrouw gaf Jos nog een zoen die hij passief in de verte starend ontving, om vervolgens achter me aan te sjokken naar de auto toe.
‘Wie ben jij?’ vroeg Jona meteen.
‘Jos.’
‘En hou jij ook van leeuwen?’
‘Waar woon je eigenlijk, Jos? In de buurt van het vakantiepark?’ probeerde ik snel het gesprek van onderwerp te veranderen.
‘Nee, ik heb geen huis, ik was op bezoek bij mijn moeder en ga nu weer naar de stad.’
Ik slikte. Met een snelle blik bekeek ik Jos om mijn ogen niet te lang van de gladde weg te houden. Zo te zien een keurige jongen, begin dertig. Nette kleren, verzorgd uiterlijk. Zwierf hij op straat?
Gelukkig doorbrak Jos de ongemakkelijke stilte door ongevraagd zijn verhaal te vertellen.
‘Mijn moeder is heel lief, maar ze is te oud om nog voor me te zorgen dus af en toe mag ik weer es bij haar logeren. Daarna moet ik mezelf weer zien te redden. Het is niet dat ik niet werken wil maar ik heb gewoon geen diploma’s en kan verder niet zo heel veel. Op school droomde ik te veel weg om mee te kunnen komen. En daarna lukte het me niet om een baan te houden want ik ben gewoon niet zo handig dus laaggeschoolde banen lagen me niet. Ik heb een halve dag bij de plantsoenendienst gewerkt maar had daarbij dure planten als onkruid weg geschoffeld. Aan de lopende band kon ik het tempo niet bijbenen waardoor er onverwerkte producten van de band rolden. Als vuilnisman mikte ik per ongeluk al de eerste zakken verkeerd waardoor ze op straat open spatten en er overal vuilnis lag verspreid waarna ik in elkaar werd geslagen door mijn collega’s. Daarna heb ik het nog een paar uur geprobeerd als fietskoerier maar ik verloor mijn pakjes die bij een val tegen een auto de goot in rolden, het riool in. Daarna heb ik het maar niet meer geprobeerd en loop ik gewoon wat door de stad tot het avond is en ik bij het snurkhuis wat eten kan krijgen en soms kan blijven slapen.’
‘Maar is er dan niets wat je een klein beetje kan?’
‘Nee, mevrouw echt niet.’
‘Dat is toch ook geen leven zo!’
‘Ach, mevrouw, ik ben gelukkig niet ziek en leef niet in een arm land dus het kon erger.’
Ik voelde een traan in mijn ogen wellen over zoveel wijsheid, tevredenheid en berusting in dergelijke omstandigheden. En dan had ik me druk gemaakt om een leeuw!
Intussen hadden we het park bereikt. Het leek bijna helemaal verlaten. Had de moeder van Jos dan toch gelijk gehad dat het nog niet af zou zijn? Met rustige gang reed ik het park over. Nergens licht te bekennen terwijl het toch al donker was. Nergens een spoor van bewoning. Wel hier en daar borden van TE KOOP.
Ik besloot mijn auto neer te zetten bij een willekeurig huisje, stapte uit en begon nauwkeurig het bord te bestuderen. De huisjes zouden inderdaad pas volgend jaar opgeleverd worden.
Achter me hoorde ik het autoportier slaan.
‘Nou, dag mevrouw, bedankt voor de lift hoor!’
Plots zag ik in een ingeving alles voor me en snel riep ik Jos terug. Verbaasd sjokte hij terug naar de auto.
Wat als ik zo’n huisje nou gewoon kocht? Over twee maanden werden ze al opgeleverd stond er dus twee maandjes eerder zou toch geen probleem zijn? Bovendien kostte zo’n huisje bijna niets en hadden we dan mooi een eigen adresje om ons af en toe even terug te trekken. Jos zou dan tijdelijk in het huisje mogen wonen tot hij iets beters had gevonden en vanuit dit huisje kon hij rustig op zoek  naar werk dat wel bij hem zou passen.
We konden er vast nu wel meteen in. Even een paar schroefjes los maken bij het raam. Wat kon het probleem zijn? Ik zou het toch immers gaan kopen?
Ik legde enthousiast mijn plan aan Jos voor die knikte: ‘Okee, is goed mevrouw’
We klommen door het raampje naar binnen, tilden de boodschappen ook naar binnen en bekeken het huisje grondig. De elektriciteit was gelukkig al aangelegd. Ik probeerde hier en daar wat licht knopjes. Er moest hier en daar nog wel wat aan gebeuren maar gelukkig was Marcel een goede klusser en ik kon mijn moeder ook wel vragen, die was ook handig met de inrichting en de details.
Jos en Jona waren aan tafel gaan zitten en aten wat koeken uit de boodschappentas met perziklimonade. Ach, het was tenslotte toch wel een beetje feest dus dat mocht gevierd worden, bedacht ik me minzaam glimlachend.
Marcel! Ik zou hem meteen bellen om het goede nieuws te vertellen, dan kon hij ook meteen komen helpen. Wie weet konden ze er vannacht al met zijn allen in slapen! Dan zou ik hem meteen vragen wat slaapzaken mee te nemen. Ik zweefde haast van geluk om mijn enorme daadkracht.
‘Marcel? Met mij, hee moet je horen..’
‘Hmmm, oh liefje, luister, even over die leeuw, ik..’
Leeuw? Dat was ik al bijna weer vergeten. Daar was het allemaal mee begonnen. Maar ik had Marcel nu nodig. Kon ie het weer goed maken.
Ik legde hem uit dat hij niet meer hoefde te sippen over zijn leeuw maar dat hij snel met wat slaapzakken en klusmateriaal hierheen moest komen. Heel kort legde ik mijn plannen uit, vergezeld van instructies over hoe hij hier zou moeten komen.
Opgelucht over de goede afloop moest ik opeens heel nodig. Van de spanning had ik het tot nu toe opgehouden maar nu voelde ik aan het gerommel in mijn buik of ik op exploderen stond. Net op tijd vond ik het toilet en kon ik mijn broek nog op mijn knieën brengen voor met een knal mijn ingewanden naar buiten leken te knallen de pot in. Door de explosieve kracht waarmee de bruine smurrie mijn kracht had verlaten, was er nogal wat terug gekaatst vanuit de pot tegen mijn eigen achterwerk aan. Eventjes zocht ik nog naar wc-papier maar ik bedacht me al snel dat zoiets in een nog op te leveren huis natuurlijk niet op voorraad aanwezig is. Ook de wc was blijkbaar nog niet aangesloten want hij trok niet door. Wat nu te doen? Had ik nou wel of niet papier meegenomen in mijn tassen? Dan kon ik Jona vragen me even wat te komen brengen.
Een enorme doffe dreun deed mij opschrikken uit mijn overpeinzing. Het huisje trilde ervan. Was het een bom? Jona! Ik moest hem redden! Met mijn broek op de enkels, snelde ik de kamer in waar Jos me met verschrikte ogen aankeek. Ik voelde het bruine drab langs mijn benen lopen.
Jona stond met zijn neusje tegen het raam. Enthousiast op en neer springend wees hij naar de lucht. Buiten klonk nog een knal. ‘Kijk, mamma, isse vuurwerk! Mooi he?’
‘Zeker, heel mooi’ lachte ik opgelucht.
Uit het raam zag ik in de verte een huisje in vlammen opgaan met op de achtergrond een lucht die blauw, geel, oranje, groen en rood kleurde.

HET MEDICIJN

Frans had alweer een nacht niet geslapen. De wallen onder zijn ogen leken bijna door te lopen tot aan zijn neusvleugels. Met een zucht stapte hij uit bed. De wekkerradio gaf nog maar 6.05 aan. Eigenlijk te vroeg om op te staan maar van slapen zou het ook dit keer toch wel niet meer komen. Voorzichtig probeerde hij naar de slaapkamerdeur te sluipen maar Tanja had hem al gehoord.
“Is het al tijd om op te staan?” geeuwde ze.
“Nee, nee, ga nog maar even slapen. De wekker is nog niet afgegaan.”
“Waarom maak je me dan alweer wakker?”
“Ik probeerde voorzichtig te zijn maar…”
“Je weet toch dat ik heel licht slaap, waarom denk je nou nooit eens aan een ander? En ik slaap de laatste tijd toch al zo slecht door jou met je gemijmer. De grens is zo langzamerhand wel bereikt!”
“Sorry, schatje, het spijt me, ik zit de laatste tijd gewoon slecht in mijn vel. Ik weet het ook niet.”
“Al dat gesomber de hele tijd over de zin van het leven en dat elke dag je laatste kan zijn en in elk geval weer een dag dichter naar het einde is.”
“Ik kan er niks aan doen liefje, het blijft gewoon maar spoken.”
“Kom in elk geval weer in bed dan praten we er straks verder over. Eerst kom je hier liggen.”
“Maar ik kan toch niet slapen..”
“Liggen, nu! En je blijft doodstil liggen tot de wekker gaat. Begrepen?”
“Ja, Tanneknufje van me. Ga maar slapen, ik zal je verder niet meer..”
“Ja,ja, kom nou maar hier en laat me althans proberen verder te slapen.”
Zonder nog een woord te zeggen schoof Frans voorzichtig onder de lakens, bang zijn vriendin te raken. Hij sloot zijn ogen en begon schaapjes te tellen maar hij was nog maar amper begonnen of de schaapjes werden stuk voor stuk afgeslacht door een grote slager met veel haar en bloed op zijn armen. Frans durfde geen nieuwe schaapjes op te laten draven en bij gebrek aan nieuwe aanvoer liep de slager met slijpende messen dreigend in zijn richting. Frans onderdrukte net op tijd een gil en opende snel zijn ogen. 6.09 las hij de rood oplichtende cijfertjes.
Weer vier minuten van een eindeloos durende nacht achter de rug. Wat een ellendige strijd voerde hij nu al nachtenlang en waarvoor? Om uitgeput toch het onderspit te moeten delven? Waartoe diende al deze ellende? Het was al begonnen in de eerste klas van de lagere school waar hij al binnen enkele weken een vaste bewoner van de bezemkast werd. De meester hem sloot hem op omdat hij zich geen raad wist met die dromerige jongen. Vanaf die tijd snakte hij naar de vrijheid van een leven zonder school. Maar na de verplichte schooljaren moest er gewerkt worden. Iets wat hij zo moeilijk vol kon houden. Iedere dag dat vaste ritme, dezelfde koppen, dezelfde rituelen totdat hij het niet meer volhield en hij thuis bleef. Om na enkele maanden lethargie het hele riedeltje van voor af aan weer lijdzaam te ondergaan. Zelfs de goede moed aan het begin van zo’n nieuwe baan was na drie baantjes wel verdwenen. Want waar deed het allemaal toe? Tot je dood blijven ploeteren voor je centen om brood te kunnen eten en zo lang mogelijk in leven te blijven en de ellende nog langer te rekken.
Waar haalden de meeste mensen de energie vandaan om steeds maar door te gaan? En maar angstig krampachtig de zaak zo lang mogelijk te laten duren. Uiteindelijk zouden ze toch het onderspit moeten delven. Alles ging ooit verloren. Niets dat blijft. Zelfs deze planeet zou binnen enkele miljoenen jaren verwoest worden door botsing met een komeet of een ander sterrenstelsel. Voordat het zover zou zijn was de mensheid echter al tijden uitgestorven. En toch draafden we maar door als lemmingen naar de afgrond. Was het dan verwonderlijk dat hij al enkele dagen niet meer kon slapen?

Zo bleven de gedachten in het hoofd van Frans rondspoken tot eindelijk het alarmsignaal verlossing gaf. Lusteloos stond hij op en maakte ontbijt voor hemzelf en Tanja. Zonder iets te zeggen dwong hij zichzelf iets naar binnen te krijgen zodat de hongersnood voorlopig geen einde aan zijn lijden zou komen maken.
“En nou heb ik er helemaal genoeg van” barstte Tanja plots los, “Dat zwijgt maar met een kop als een grafdelver en houdt desgevraagd allemaal negatieve praatjes. Nog even en je hebt in elk geval bereikt dat we de komende jaren al onze vrienden zullen verliezen en de sociale paria’s van dit dorp zijn. Weet je wat je kan? Je zoekt het maar uit. Ik pak zo mijn spullen en ga even een paar dagen bij mijn moeder logeren. Even weer frisse moed opdoen. Wie weet blijf ik er zelfs wel want dit kan zo niet langer!”
“Maar liefje..”
“Ja, wat nou? Zoek dan eens deskundige hulp of zo. Je hoeft je d’r heus niet voor te schamen want alle grenzen van schaamtevol gedrag heb je al lang en breed gepasseerd.”
“Maar je laat me toch niet zo maar alleen? Net nu…”
“Net nu je wat? Kom op zeg, hoor jezelf praten als volwassen vent. Kom op en verman je zelf.”
“En hoe moet het dan met eten?”
“Eten staat al klaar in de koelkast. Hoef je alleen maar op te warmen. En voor ik het vergeet: Gisteren heb ik nog even een speciaal kruidendrankje gehaald. Drink dat maar even op dan weet ik zeker dat je problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Met dit middel zijn al je zorgen gegarandeerd binnen een dag verdwenen.”
Frans bekeek het geelbruinachtige troebele goedje in zijn glas en aarzelde.
“Drink nou maar!”
Hij haalde zijn schouders op en concludeerde dat het toch ook eigenlijk niets uitmaakte. Met een zucht dronk hij de inhoud en huiverde. Wat was dat een bitter goedje. Snel nam hij er glas melk achteraan om de vieze smaak weg te krijgen.
“Goed zo, grote jongen. Nou, ik ga nu. Ik zal je werk melden dat je de komende dagen ziek bent en daarna zien we wel verder. De mazzel met je strijd.”
De deur sloeg dicht. Wat bedoelde ze precies met de ‘mazzel met je strijd’? De strijd tegen de vervelende gedachten? Ach, wat was die Tanja toch een lieverd. Ze ergerde zich dan wel de laatste tijd maar ze bedoelde het toch wel goed met hem. Dankzij haar had hij nu voor het eerst een baan langer dan vier maanden volgehouden. Hij had nu dan wel even een dipje maar voorheen had zij gezorgd dat hij niet bij de eerste de beste aarzeling in het systeem de handdoek in de ring gooide. Als hij Tanja toch niet ontmoet had die avond. Hij had geen idee wat zij ooit in hem zag maar ze wilde toch al binnen een maand samen wonen. Wellicht speelde het feit dat haar huisbaas de huur opzegde om het huis te verbouwen een beetje mee maar zelfs dan deed je zoiets toch niet alleen uit praktische redenen maar uit liefde?
Vandaag zou zijn eerste ziektedag worden. Wat lief van haar dat ze dat voor hem regelde terwijl hij wist hoe vervelend ze het vond als hij het ritme doorbrak. Maar zelfs zij kon wel zien dat vijf dagen zonder slaap elk normaal functioneren in de weg stonden. Tot nu toe was hij zelfs niet in de verleiding gekomen om te gaan slapen. De angsten en gedachten waren daarvoor te groot en te urgent. Hij moest eerst alles op een rijtje krijgen want zo verder blijven worstelen was geen optie meer. Al twintig lange jaren had hij zich zo door het leven gesleept. Dit kon toch niet nog eens veertig of misschien wel zestig jaar zo doorgaan?
Misschien moest er nu wel een einde aan komen. Beter om dingen tijdig te stoppen dan er vruchteloos lang mee door te gaan. Dat had Tanja toch ook gezegd? Dat alle zorgen nu binnen een dag verdwenen zouden zijn? Door dat bittere goedje wat ze hem gaf. Zou ze bedoeld hebben dat…
Het moest haast wel! Gif smaakt bitter. Dat had hij op school geleerd tijdens de karige lessen dat hij in de klas aanwezig was. Dat was haar oplossing: d’r een einde aan maken en alles was voorbij. Lekker makkelijk.
Frans wist dat het Tanja hoog zat maar zou ze zover gaan dat ze hem vergiftigde om er maar vanaf te zijn? Dacht ze werkelijk dat ze hem zo zou helpen? Hij aarzelde of hij haar nou dankbaar moest zijn of dat hij haar verwenste. Zo was zij immers van een boel problemen af. Door het samenwooncontract kwam zijn huis in haar bezit en ze had geen last meer van een moeilijke partner.
Frans voelde zijn bloed kolken. Zo wilde hij niet aan zijn einde komen. Het kon toch wel ietsje meer met klasse of in gezamenlijk overleg? En had hij bovendien alles wel goed overdacht? Was er niet iets dat hij over het hoofd had gezien? Zo meteen bleek hij eeuwig in een vagevuur te moeten branden of kwam hij terug in een reïncarnatie als kakkerlak. Of bleek er wel degelijk een belangrijk doel in het leven te zijn dat hij tot dan had weten te missen. Dat secreet. En hij had haar nog wel zo lief gehad. Zij was zijn eerste en grote liefde geweest. En zij had hem gewoon gebruikt. Wat moest hij doen?
Frans voelde het gif al langzaam zijn werk doen. Hij werd steeds lomer en voelde hoe zijn ledematen slap werden. Dat mocht niet gebeuren. Zo snel als hij kon rende hij naar het toilet, ging op zijn hurken zitten en stak zijn vinger in de keel. Na drie keer hooguit wat gal in zijn mond te hebben gekregen was het de vierde keer raak. In de pot bespeurde hij door zijn waterige ogen de restanten van de beschuit die hij met het ontbijt naar binnen had gewerkt met nog onverteerde stukje kaas ertussen drijvend.
Het drankje had hij na het ontbijt ingenomen. Dan zou dat er vast ook wel uitgekomen zijn. Of zouden vloeistoffen sneller opgenomen worden en was het al opgenomen in zijn bloed om daar zijn verwoestende werking te doen?
Frans besloot het nog even af te wachten en begon aan de puzzel van het ochtendblad. Hij was nog maar halverwege of hij voelde zijn hoofd knikkebollen en zijn pen uit zijn hand vallen.
Hij schrok op. Niet in slaap vallen. Dan zou alles voorbij zijn. Hij moest nu actie ondernemen. Redden wat er te redden viel.
Frans rende naar de schuur, sprong op zijn fiets en spurtte de schuur uit, het trottoir af, de straat in. Snel naar de huisarts. Waar woonde die Mengele ook alweer. Oh nee, Maartens heette hij. Hoe kwam hij nou toch op Mengele? Maar wacht eens. Wellicht zat hij ook in het complot. Tanja kon immers toch niet zomaar aan dergelijke middelen komen? Met haar overredingskracht had ze vast de treurnis van de hele situatie overtuigend genoeg weten te schetsen om die man zijn medewerking te laten verlenen. Daar moest hij dus niet naar toe. Maar waar dan wel? Het ziekenhuis! Daar konden ze zijn maag vast leeg laten pompen en hem redden voor het te laat zou zijn.
Bij de ingang van het ziekenhuis kwakte hij zijn fiets neer voor de ingang, sprintte naar binnen en gilde in paniek hijgend met zware tong naar de portier: “SPOED! Ik ben bergibtigd, baar boet ik bijn?”
“Ik zal even iemand bellen voor u mijnheer.”
“Beste man, ik heb been tijd. Baar boet ik bijn voor sboedhulp?”
“Ik zal toch eerst even…hee, mijnheer!”
Maar Frans was al doorgerend het doolhof van het ziekenhuis in, her en der in paniek mensen in een witte jas aanklampend maar al snel weer los latend bij het lezen van hun naamkaartje waar dan op stond dat ze gespecialiseerd waren in verloskunde, dan wel K.N.O. of urologie. Dat schoot dus niet op zo.
In een hoekje zaten wat mensen te wachten op hun beurt en deden of ze tijdschriften lazen terwijl ze nauwlettend anderen in de gaten hielden, zich afvragend wat die zou mankeren. Frans ging even zitten om uit te puffen en greep snel een tijdschrift om niet uit de toon te vallen. Dit had hij niet handig aangepakt. Hoe moest jij nu verder? Hij bladerde wat door het magazine tot zijn oog viel op een advertentie van een onverwoestbaar scheerapparaat: “Gaat uw leven lang mee!” stond er als wervende tekst boven.
Een leven lang was nogal onzorgvuldig gedefinieerd bedacht hij. Betrof dat een gemiddeld leven? En hoe moest dat dan met mensen die de leeftijd boven de negentig bereikten? Moesten die alsnog aan een nieuwe apparaat en werden de kosten dan betaald door een bijgeleverde garantie? En als het zelfs tot hun leeftijd meeging dan was het zonde van al die goedfunctionerende apparaten die werkloos achterbleven nadat hun eigenaar allang onder de grond lagen of in rook waren opgegaan.
Frans voelde zijn hoofd zwaar worden en naar voren knikken. Als door een bij gestoken schoot hij overeind. Waar zat nou toch de afdeling gifverwijdering? Terwijl hij vertwijfeld op een kruispunt stond, voelde hij twee armen de zijne stevig beet pakken.
“Komt u maar even met ons mee mijnheer.”
Verdwaasd keek Frans om naar de brede kaken van twee besnorde bewakers die hem onder zachte dwang terug naar de ingang begeleidden.
“Kunt u mij niet helpen, ik ben verg..”
“Als u gewoon bij de portier op uw beurt had gewacht, was u allang geholpen mijnheer. Komt u nou maar mee.”
“Maar ik heb geen tijd, ik voel het….”
“Er wordt al iets geregeld. Gaat u hier maar even zitten.”
“Het gif stroomt al door mijn aderen!”
“Ja, alcohol kan een naar goedje zijn” gniffelde de grootste snor besmuikt.
“NEE!” gilde Frans en hij spoot overeind, rende het gebouw uit en keek al sprintend verdwaasd om zich heen. Ook dat nog. Zijn fiets was in geen velden of wegen meer te bekennen. Had hij hem ook maar op slot moeten doen. Dan maar met de bus terug naar de stad. Hij rende door naar de bushalte en kon nog net in de bus springen voor hij optrok. Door het achterraam zag hij de bewakers verbouwereerd op hun achterhoofden krabben.
Hij ging zitten en voelde zijn hoofd weer zwaar worden. Met moeite hees hij zich op om dan maar te blijven staan. Krampachtig hield hij vast aan de lus boeven zijn hoofd terwijl zijn onderlijf alle richtingen op werd geslingerd door de hoge snelheid waarmee het gevaarte de scherpe bochten nam.
In de buurt van zijn huis strompelde Frans uit de bus en half struikelend over zijn voeten bereikte hij de voordeur. Na enig friemelen kreeg hij de sleutel in het slot en kroop hij naar binnen.
Hij kon nog net de deur achter zich sluiten voordat hij in het halletje voorover viel en met zijn kin op de drempel van de huiskamer klapte. Tegen de muur zag hij het schilderij van ‘een man met een vogelkooi op een fiets’ staan dat hij al weken geleden had beloofd op te hangen aan de muur naast de tv. Glimlachend bedacht hij dat het er niet meer van zou komen. Zijn ogen vielen dicht.
“Dit was het dan” prevelde Frans. Had hij zich hier zo’n drukte om gemaakt? Het moest toch ooit gebeuren en waarom ook niet nu? Hij verweet Tanja niets. Hij vergaf het alles en iedereen. De meester die zijn jeugd tot een hel maakte, zijn vrienden die hem niet begrepen en natuurlijk Tanja. Even had zij hem doen denken dat het leven waard was geleefd te worden. Alleen al daarom moest hij haar wel vergeven. In de verte hoorde hij een hond blaffen. Toen werd het donker en stil en was er niets meer.

Plots werd het zwart gevuld met felle witte spikkels. Zijn oren vingen een gezoem alsof een lamp vlak bij zijn oor aan ging. Frans opende zijn ogen en tot zijn verbazing lag hij in zijn eigen bed.
Tanja keek hem lachend aan: “Zo slaapkopje, dat was nog eens een inhaalslag! Twee dagen aan een stuk door geslapen. Dan was het wel nodig ook denk ik. Dat spul werkt goed. Maar ik snap niet waarom je languit in de hal lag met je jas nog aan. Dat was me een gesleep de trap op. En als je weer bij je positieven bent mag je ook nog uitleggen waar je fiets gebleven is….”
 

NAAR DE WINKEL

Met mijn voet trok ik de deur achter me dicht terwijl ik over de drempel naar buiten stapte. Mijn voet belandde op een takje dat wegrolde waardoor ik mijn evenwicht verloor en bijna voorover tuimelde de struiken van het gemeenteplantsoen in. Een man aan de overkant van de straat deed net of hij niets had gezien en liep haastig door. Hij moest vast grijnzen om mijn malle actie zodra hij wist dat ik zijn gezicht niet meer kon zien. Ik tuurde naar zijn rug die meedeinde op zijn loopritme. Even bespeurde ik een kleine afwijking, een klein schokje. Dus toch! Hij moest het stiekem uitschateren en was te laf om het te tonen. Eigenlijk zou ik hem achterna moeten lopen en van achteren neer moeten trappen om hem zijn lafheid eens goed in te peperen. Maar dan zou ik zelf nog laffer zijn dus ik kon beter rustig op zijn schouder tikken en hem vragen wat er zo grappig was. Maar dat zou ook weer onnozel zijn want ik besefte heus wel waarom hij zo moest schokschouderen. Het was de vraag of de confrontatie daarmee hem uit zijn evenwicht zou brengen. Mogelijk zou hij alles ontkennen en doorlopen om daarna nog meer om mij te lachen en er zelfs thuis nog eens smakelijk over op te dissen. Nee, het was het verstandigste om hem maar te laten lopen en ook niet over de straat door na te schreeuwen met als risico dat er buren uit hun ramen keken wat of er aan de hand was. Of zelfs uit hun deuren naar buiten stormen en zich mengen in onze zaken, die misschien zelfs alleen mijn zaken betroffen en niet eens de zijne. Controle. Daar draaide het om in het leven. Geen ongewenste rare sprongen maken waar later amper op terug te komen viel. Ik deed er goed aan de man verder te negeren. Mocht hij wellicht even gegniffeld hebben, het zij zo. Zodra hij de hoek om zou zijn, was hij het voorval vast weer vergeten, en mij een groter drama bespaard gebleven.
Het was bovendien ook een beetje mijn eigen schuld. In mijn haast was ik de deur uitgelopen terwijl ik alleen nog maar mijn linkerarm door de linkermouw van mijn jas had gestoken. Met mijn rechterarm zocht ik verwoed naar de ingang van mijn rechtermouw. Tegelijkertijd zocht ik met mijn linkerhand mijn broekzakken af op zoek naar mijn sleutels, de boodschappentas gevuld met oude kranten verkrampt vast houdend tussen mijn duim en wijsvinger.
De deur was in het slot gevallen zonder dat ik de bevestiging heb dat ik bij terugkeer weer naar binnen zal kunnen komen.  Krampachtig met steeds roder aanlopend hoofd tastte ik in mijn zakken tot ik onderin iets metaalachtig had gevoeld. In mijn enthousiasme forceerde ik het hengsel van mijn tas die brak waardoor de kranten door de tuin wapperden, ik door de plotselinge verandering in gewicht mijn evenwicht verloor en voorover gestruikeld was.
Ik besloot de zaken iets systematischer aan te pakken waardoor ik wellicht uiteindelijk nog tot meer tijdswinst zou komen dan dat ik probeerde teveel tegelijk te doen. Eerst trok ik mijn jas netjes aan. Vervolgens inspecteerde ik overwogen mijn rechterbroekzak en vond op de plek waar ik al kort iets metaalachtig had gevoeld tot mijn vreugde de sleutel van de voordeur. Rustig om mij heen kijkend zag ik dat niemand mij verder gezien had zodat ik zonder gezichtsverlies te hoeven lijden de kranten die uitgewaaierd waren over mijn voortuintje bijeen kon rapen en terug stoppen in de tas om ze bij de winkel in de oud papier bak te kunnen deponeren.
De buurman, een gepensioneerde buschauffeur die de halve dag uit het raam naar buiten stond te staren terwijl er in onze doodlopende straat zelden iets belangwekkend te zien was, stond ditmaal niet op zijn vaste stek, zag ik vanuit mijn ooghoek. Gelukkig maar want de enige keer dat hij contact met je maakte was als hij weer iets aan te merken had op mijn voortuin. Dan tikte hij met zijn ring tegen het raam en begon woest te gebaren waarop hij na mijn niet begrijpende schouderophalen naar buiten stormde om een heel betoog te beginnen over de schandelijke staat van verpaupering waarin mijn voortuintje zich bevond met een boompje dat in de herfst zomaar blaadjes verloor die in zijn voortuintje waaiden waardoor hij weer genoodzaakt was met een bezem zij smetteloos schone stukje tegeltuin, met hier en daar een zorgvuldig post wachtende laaf of kabouter, schoon te vegen. Hij gaf mij dan ongevraagd de goede raad om het boompje met wortel en tak uit de grond te verwijderen zodat hem verdere overlast voortaan bespaard zou blijven. Ook de bamboeplant aan mijn tuinpad was hem een doorn in het oog omdat deze wortels onder zijn tuin door zouden kunnen groeien waardoor de zorgvuldig met een liniaal geplande tegels scheef zouden kunnen gaan staan door de opwaartse kracht van de ruimte zoekende wortels. Als hij eens niets aan te merken had negeerde hij mijn opgestoken hand ten groet en keek hij pal langs mij heen naar een onduidelijk punt ver achter mij of draaide hij zich om en liep hij zijn woonkamer in om even later weer post te vatten op zijn vertrouwde plek.
De volgende keer zou ik hem ook eens negeren als hij met zijn ring tegen het raam tikte en als hij dan naar buiten zou stormen, zou ik mij gewoon omdraaien en de andere kant oplopen, Oost-Indisch doof voor het geschreeuw achter mij.
Het huis naast de buurman werd bewoond door een vaag gezin waarvan de twee zonen constant in de weer waren met vage handelingen voor het huis. Ongure types belden bij hen aan waarop de twee naar buiten kwamen en zakjes met duistere goedjes gewisseld werden met geldbiljetten. De appel viel er niet ver van de boom want de vader des huizes, een boom van een kerel met een halve juwelierszaak om nek en armen die uiterlijk in niets op zijn sprietmagere zoontjes met hun tanige rattekopjes leek, kreeg de hele dag door bezoek van mannen met boeventronies die allerhande apparatuur bij hem kwamen afleveren of ophalen. Hij verliet zijn huis zelden behalve om een paar pakketjes weg te brengen waarna hij altijd binnen een uur terug was. Verder liet hij ’s ochtend vroeg en ’s avonds laat een zeer klein hondje uit waarmee hij naar de overkant van de straat liep, en op de hoek van de straat tegen een hekje zijn behoefte liet doen. Dat ritueel nam nooit meer dan vijf minuten in beslag en hij bleef binnen gezichtsafstand van zijn eigen huis zodat hij altijd eventuele nieuwe klanten aan kon zien komen. Moeder des huizes was een schuw klein vrouwtje van Thaise komaf die zich zelden tot nooit buiten durfde te vertonen.
Ik liep behoedzaam langs het huis van mijn buurman en dat van de sjoemelsjonnies, zoals ik het gezin gedoopt had. Beide huizen leken verlaten hoewel ik niet langdurig naar binnen durfde te turen uit angst recht in het gezicht van mijn buurman of van Pa Sjonnie te staren. De gordijnen waren dan wel half dicht maar beiden stonden vast verdekt achter het gordijn opgesteld om tevoorschijn te komen mocht de situatie daar aanleiding toe geven.
Ooit liep ik wel eens langs de jongens terwijl zij op de stoep bezig waren met hun duistere zaakjes maar beiden negeerden mij toen ik hen schuchter groette bij het voorzichtig langs hen schuifelen om de breed op het trottoir uitgestalde brommers van hun vrienden niet te hoeven raken.
Na het huis van de sjoemelsjonnies ging ik de hoek om langs het huis van tante Riet. Niet dat zij mijn tante was maar zo stond ze nu eenmaal in de buurt bekend. Een hartelijke vlotte oude dame die ondanks haar leeftijd nog menigmaal in vrije tijds kledij haar eigen tuintje op orde bracht, onderwijl een praatje makend met ieder die langs haar huisje liep. Sinds de dood van haar man, die zich al op jonge leeftijd had dood gedronken, was ze niet bij de pakken neer gaan zitten maar had in haar eentje haar vier kinderen opgevoed en ondernam daarna nog vaak verre reizen naar de landen waar zij uiteindelijk waren neergestreken: Zuid Afrika, Canada, Zuid Frankrijk en Portugal. Bovendien speelde ze een belangrijke rol in de coherentie van de buurt. Zij was een beetje de bindende factor tussen alle uiteenlopende figuren die verder weinig contact met elkaar hadden. Zij kende allen en bewaarde ieders geheimen zodat ze de vertrouwenspersoon in de buurt waaraan mensen meer durfden te bekennen dan ze zelfs hun dierbaarsten durfden op te biechten.
Ditmaal zat ze niet gehurkt in haar tuintje een bloemperkje aan te harken met zo’n klein handharkje maar zat ze voor het raam heerlijk diep verzonken in een dik boek met een gelukzalige glimlach op haar lippen.
Plots ontwaarde ze mij met mijn tas vol kranten en veerde ze op uit haar stoel. Haar ogen begonnen te glimmen van de pret terwijl ze naar mijn tas wees en ze een ‘nou, nou da’s niet mis hoor’-gebaar maakte. Ik knikte terug dat het wel mee viel, zette de tas even neer, zwaaide als groet, en nam de tas weer op.
Het zou vandaag een lange dag worden dus al te veel tijd voor oponthoud zou ik niet hebben. Bovendien moest ik me ook goed concentreren op de te halen spullen. Ik had ze natuurlijk beter kunnen opschrijven op een lijstje maar dat vond ik altijd zo knullig staan in de winkel en bovendien zag ik het als goede geheugenoefening. Meestal herinnerde ik de spullen die ik tevoren bedacht had ook wel als ik eenmaal langs het schap liep waar zij lagen maar nu hadden ze net vorige week de winkel opnieuw ingericht waardoor ik niet meer goed wist langs welke schappen ik nou wel moest en welke ik normaliter over kon slaan. De schappen met babyspullen, keukengerei of met sterke drank had ik immers niet erg vaak nodig.
Ik wou net aan een opsomming van de boodschappen beginnen ter controle toen ik werd opgeschrikt uit mijn gedachten door een ijselijke gil. Amper in staat mijn nieuwsgierigheid te bedwingen draaide ik mijn hoofd voorzichtig in de richting van het geluid. Achter het raam van een bovenverdieping zag ik een man en een vrouw naar elkaar gebaren en wijzen. De vrouw had een wond aan haar slaap waaruit bloedstralen de kraag van haar blouse insijpelden. De man keek half verontrust, half verontschuldigend totdat de vrouw hem iets toe siste en hij  transformeerde in een agressieve houding die hij waarschijnlijk voordat ik keek ook al had in genomen. De vrouw week de schrik enkele stappen naar achteren en dreigde haast te struikelen over iets wat zich buiten mijn gezichtsveld bevond. De man grijnsde lafhartig en trad snel toe tot de plek waar de vrouw zich nog net wist vast te grijpen aan het gordijn. Voor hij zijn geheven vuist op haar kon laten neerdalen klonk opnieuw een ijselijke gil en de man bedacht zich en spuwde haar in het gezicht. Na het uiten van een krachtterm gaf hij nog een trap en verliet hij de kamer. De vrouw bleef hangend aan het gordijn achter terwijl haar tranen en bloed de fijne stof besmeurden.
Intussen was de man beneden in de woonkamer gekomen en keek hij net toevallig naar buiten waar ik met mijn tas stond. Ik knikte met een grimas kort naar hem en vervolgde mijn weg zonder nog een blik richting zijn huis te werpen. De huizen in de straat waren doodstil. Niemand kwam uit het raam hangen om te kijken waar het geluid vandaan kwam. Niemand die zijn deur uitkwam. Blijkbaar was men hier al gewend aan dergelijke taferelen of sloeg men er geen acht op omdat ze dachten dat er ergens een televisie even te hard aanstond. Of hun eigen kijkkastje stond op een volume dat niet overstemd kon worden door geluiden van buitenaf. Wellicht bekeek men net een interessante documentaire over huiselijk geweld en verzuchtte men dat ze maar geluk hadden dat zoiets bij hen in de omgeving gelukkig niet voor kwam.
Op de hoek van de straat stak ik schuin over naar links waar ik even verderop de blikken kolossen waar het oud papier in gegooid diende te worden, al zag staan. Links van me zag ik vanuit mijn ooghoek een korte schrikbeweging van een gehurkte jongen die aan een autoslot zat te prutsen.. Even dacht ik eraan door te lopen of ik niets gezien had maar iets weerhield me en in plaats daarvan keek ik hem recht in de ogen. Ik bedacht me nog wat ik hem zou vragen, of dat het zijn eigen auto was, wat onwaarschijnlijk was, gezien de jeugdige leeftijd van de knaap, en of hij toestemming had om…
Voor ik echter mijn mond kon openen sprong de jongeman al op, wenkte in de verte en vanachter een muurtje aan de overkant schoot opeens een scooter tevoorschijn die rakelings langs mij heen schoot. De slotenprutser nam een aanloop en sprong achterop waarna het voertuig hard wegstoof om na honderd meter even triomfantelijk als een moderne Zorro op enige meters te steigeren op het achterwiel. Van de bestuurder had ik geen gezicht gezien maar de jongen achterop had ik goed kunnen bekijken. Blijkbaar realiseerde hij zich dat zelf ook want na het neerkomen keek hij nog even achterom in mijn richting, staarde een seconde lang recht in mijn ogen, zette zijn rechterhand alsof het een pistool was op zijn hoofd en imiteerde vervolgens een schot dat een kogel door zijn hoofd joeg om daarna bevestigend naar mij te knikken. Ik haalde mijn schouders op en hij grijnsde vlak voor ze een zijstraat injoegen met hoge snelheid.
Ik versnelde mijn pas en keek niet meer op of om. De tas begon zwaar aan mijn armen te trekken en het zou maar beter zijn om de inhoud zo snel mogelijk te dumpen. Tot mijn ontsteltenis was de oud papier bak echter nog niet geleegd en puilden de oude kranten van een hele week uit de bus en stonden er zelfs al kartonnen dozen met oud papier tegen de zuil opgestapeld. Even aarzelde ik of ik mijn stapel daarbij zou zetten maar ik bedacht me dat er ook brieven tussen zaten met persoonlijke informatie waarna ik besloot de tas maar weer in zijn geheel verder te slepen naar het volgende verzamelpunt bij het winkelcentrum waar ik toch moest zijn voor mijn boodschappen.
Wat was de weg nog lang en hoe verder ik zou gaan des te langer zou ik nodig hebben om terug te keren zoals CCS Krone al ooit eens vast stelde. Maar ik mocht de moed niet verliezen en doorgaan om niet helemaal voor niets mijn odyssee te hebben gemaakt.
De deuren van de koninkrijkszaal, aan het begin van de lange weg die ik nu insloeg, zwaaiden sierlijk open. Enkele vrouwen van middelbare leeftijd schreden zwijgzaam naar buiten met onder hun arm de nieuwste editie van de Wachttoren. Ze keurden mij geen blik waardig maar maakten zonder dralen een begin aan hun taak voor die dag. Om de hoek splitsten ze in duo’s die elk een zijde van de straat voor hun rekening zouden nemen. Niet lang na hun vertrek strompelde een geheel in het zwart geklede man met een asgrauw gelaat naar buiten om hen minzaam na te staren. Ik vroeg me af waarom zij zo gelaten hun mooie taak aanvingen. Zij waren immers verzekerd van een zeldzaam plekje in het hiernamaals dus ietsje meer levensvreugd zou dan in mijn ogen wel gepaster zijn. Of zou men dat plekje slechts bemachtigen als men een bepaald quotum gehaald had van geredde zieltjes? In dat geval leek mij het leven als getuige in Zijn Naam nogal een deerniswekkende levensvervulling. Altijd maar die angst of er wel genoeg zieltjes gered waren en of je wel op de shortlist stond en niet net ingehaald was door een geloofsgenoot in de Verenigde Staten of wellicht in Colombia, Schotland of India.
Nooit was je zeker. Vandaar natuurlijk hun gekwelde onzekere gelaat dat het overtuigen van nieuwkomers ook nog eens bemoeilijkte. Het was immers eenvoudiger mensen te overtuigen met een opgeruimde overtuigde uitstraling waaruit zekerheid sprak dan met een gezicht vol angst om alsnog afgewezen te worden en tot in het einde der tijden in het vagevuur te belanden met allerlei types die wel een onbezorgd vreugdevol leven hadden geleid.
Men had mij sinds ik in deze buurt woonde slechts eenmaal vereerd met een bezoekje en ik had hen allerhartelijkst binnen genodigd voor een kopje thee waarbij ik vol belangstelling kennis nam van hun interessante lectuur. Zodra ik echter een paar voor de hand liggende vragen stelde verstarden de dames. Op mijn vraag of men het niet moeilijk vond dat de enige manier om gered te worden het zorgen voor nog meer concurrentie was. Als men mij immers bekeerden hadden ze weliswaar hun quotum verhoogd maar hadden ze er direct een nieuwe concurrent bij gekregen die ook kon meedingen naar een schaars plekje in het Koninkrijk der Hemelen. Verder vroeg ik hen hoe men zo zeker wist dat het einde der tijden binnen enkele jaren aangebroken zou zijn en hoe het dan kon dat men diezelfde bewering vijftig jaar geleden ook deed. En wat gebeurde er dan als het einde der tijden pas ver na hun dood zou intreden? Zouden dan alleen hun kleinkinderen gered worden of ook alle doden uit het verleden (waaronder zijzelf)? Daarbij rekende ik hen ook voor dat het halen van de zo vurig gewenste zetel in het paradijs met het verstrijken der jaren steeds moeilijker zou worden omdat het aantal mensen met de jaren zou toenemen, zeker als ook nog alle doden meegerekend zouden worden. Bovendien was het voor mensen in de toekomst makkelijker om een hoger quotum te halen omdat er dan meer mensen aanwezig waren om te kunnen bekeren.
Intussen waren hun ogen gaan draaien na mijn vraag hoe het kon dat Jezus iedereen een kans gaf maar dat volgens hen homo’s en hoeren sowieso verloren waren wat niet geheel in overeenstemming was met Zijn eigen opvattingen dat het ging om iemands intenties, innerlijk en daden en niet om iemands uiterlijk, beroep of geaardheid. Terwijl de ene vrouw naar adem begon te happen, stoof de ander woest op en siste: “kom mee, weg hier van deze satan die twijfel en verdeeldheid tracht te zaaien onder de ware gelovigen.”
Nadien was ik hen nog eenmaal op straat tegen gekomen maar na mijn vriendelijke groet hadden zij hun hoofden in afschuw weg gedraaid.
De tas begon intussen striemen in mijn handen te maken en het was nu al zover gekomen dat ik hem om de paar meter neer moest zetten. Het viel me op hoe rustig het op straat was en ik vroeg me af of dat altijd zo was of dat ik toevallig net een rustig ogenblik trof. Ik had nog geen auto voorbij zien komen terwijl die normaal met grote snelheid door de lange laan scheerden. Bovendien waren van vele huizen de gordijnen nog dicht. Ik controleerde mijn horloge maar het was toch echt al negen uur geweest. Een normale tijd om al op te zijn leek mij zo.
Ik kon in elk geval rustig aan doen want ik had ook wel eens vlak voor sluitingstijd gewinkeld maar dan werd je de deur uitgekeken en waren bovenal de meeste versproducten al lang op want hoewel de winkel tot acht uur in de avond open was, had men meestal maar voldoende verswaar tot de klok van zes. En mocht je overdag werken dan moest je dus wel tussen acht en negen naar de winkel om aan je boodschappen te komen.
Uit een ooghoek zag ik plots een metalen stellage op me af komen rollen dat ik met een snelle beweging kon ontwijken. Omkijkend wat mij nou uit mijn overpeinzingen had op doen schrikken, zag ik tot mijn opluchting dat het geen bewuste aanslag op mijn benen was geweest. Het was slechts het reclamemannetje, een Marokkaans gebocheld mannetje dat reclamefolders rondbracht met een ‘geleend’ winkelwagentje dat tevens dienst deed als ondersteuning daar hij door zijn lichamelijk gebrek moeilijk kon lopen. Door het wagentje had hij dan ondersteuning, hoewel hij moeilijk kon zien waar hij heen ging, zijn ogen strak gericht op het stukje trottoir voor hem. Door zijn gemankeerde lichaam was hij niet in staat zijn hoofd in zijn duwhouding op te richten en zag hij amper wat voor hem gebeurde. Hij kende de weg die hij liep uit zijn hoofd waardoor er niet al te veel mis kon gaan. Dat wil zeggen met zijn werk.
Thuis was het een ander verhaal. Daar moest hij van zijn karige baantje zien rond te komen in een driekamerflatje waar hij met zijn vrouw en zes kinderen woonde. De kinderen kwamen er echter alleen om ’s nachts te slapen op hun stapelbedden want ruimte om er overdag te vertoeven was er amper. Met als gevolg dat ze wat doelloos op straat rond zwierven, buurtkinderen terroriseerden, voorbijgangers treiterden en wat inbraakjes pleegden als ze de kans kregen. Meer uit verveling dan om er echt iets essentieel mee bij te dragen aan de kost van het gezin. Als de vader weer eens geconfronteerd werd met het gedrag van zijn ‘boefjes’, haalde hij machteloos zijn schouders op, grijnsde zijn drie overgebleven tanden bloot en veegde hij met zijn hand zijn snorretje schoon van wat etensresten en opgedroogde snotrestanten. Een snorretje dat overigens enorme gelijkenis vertoonde met het model dat Hitler ooit met trots zijn bovenlip liet ontsieren. ‘Ach, sain kiender eh? Sai spelen, blaiven kattekwaad eh? Sai bedoel nie slegt eh?’
Voor galg en rad noemden ze dat vroeger. En niemand die de arme Mohammed kon bijstaan in zijn strijd te overleven en tegelijk nog zijn boevenbende op het rechte pad te houden. Zelf had hij daar geen tijd voor want het werk, hoe slecht verdienend ook, ging altijd voor.
Zijn karretje was vanochtend leeg. Wellicht was hij op weg een nieuwe lading krantjes en folders te halen bij het centrale wijkdistributiepunt.
Zijn verwarde krullenbos verdween om de hoek en ik tilde met een zucht de steeds zwaarder lijkende tas met oud papier weer op. Had ik zijn karretje maar even kunnen lenen. Maar daar was het nu alweer te laat voor. Door moest ik. Voordat de hele ochtend al verloren zou zijn.
Wat had ik ook alweer nodig? In elk geval melk, kaas, brood, appels, yoghurt, wat groente voor de komende dagen, een zak aardappelen en wat drinken. Niet van die bubbels waar je zo van moest boeren maar zo’n lekker koel drankje dat zo heerlijk naar binnen gleed bij het drinken. Desnoods van dat aanmaakspul. Dat was tegenwoordig ook best wel binnen te houden en verkrijgbaar in diverse modieuze smaakjes.
In de verte ontwaarde ik al de contouren van de supermarkt maar eerst moest ik nog van dat papier af anders had ik niet eens een tas om mijn spullen in te kunnen doen. De oud papier bak aan de straat had hier gelukkig nog wel genoeg ruimte en opgelucht liet ik de kranten en post in de bak glijden, ervoor wakend dat ik niet de tas mee liet glijden. Voor je het wist floepte die zo mee en stond je daar met al je boodschappen in je handen zonder tas om ze mee te kunnen zeulen.
De opluchting om in elk geval een korte tijd even met een lege tas rond te kunnen lopen gaf me het zelfde gevoel van opluchting dat je wel eens hebt als je net op het toilet je behoefte hebt kunnen doen en zo je buikkramp ineens weer kwijt bent.
Nog eventjes en ik zou de winkel binnen treden. Lekker leunend op een karretje, net als Mohammed. Zwierend door de gangpaden. Maar dan zou ik wel een euromunt in mijn beurs moeten hebben. Dat ik daar niet eerder aan had gedacht. Zo meteen moest ik in de winkel ook nog eens alles in mijn tas mee slepen. Het vooruitzicht dat op de terugweg te moeten doen was al vreselijk genoeg. Koortsachtig wroette ik in mijn zakken. In mijn portemonnee bevonden zich slechts een paar briefjes van tien en wat kleingeld maar geen euromunt. Dan maar mijn kontzak voelen. Ook die queeste leverde mij niet het gewenste resultaat op. Een paar snoepwikkels die ik wel vond kon ik nu echter wel meteen in de prullenbak naast de karretjes deponeren.
Tenslotte vond ik tot mijn grote opluchting in de laatste zak van mijn broek nog een 50 cent muntje dat na even duwen ook in de gleuf van het karretje bleek te passen. Met een zwierige draai trok ik mijn nieuwe tijdelijke eigendom voor het komende kwartier uit zijn beknellende omarming van zijn lotgenoten om al na twee meter tot stilstand te komen. De voorwieltjes stonden compleet vast. Weer zo’n onverlaat die het karretje buiten de aangegeven zone naar zijn auto of huis had meegenomen waardoor de wieltjes blokkeerden en het karretje nutteloos werd. En dan wel het karretje helemaal weer terug slepen, half tillend om toch vooral het muntje terug te krijgen. Na enig gepeuter wist ik mijn muntje weer te bevrijden nadat ik het karretje met een krachtige duw weer in zijn beginpositie, in innige omarming met zijn voorganger, wist te krijgen.
Deze rij was nu geheel onbruikbaar geworden dus liep ik door naar de volgende rij om alsnog een bruikbaar winkelwagentje te bemachtigen.
Er waren in totaal drie rijen wagentjes dus ik had nog twee kansen om aan een wagentje te komen dat aan mijn eisen voldeed. In geen geval was ik van plan de hele winkel ook door te sjouwen met een tas vol spullen. Alles zou dan door elkaar komen terwijl je de spullen kan ordenen als je alles gekocht hebt en in de juiste volgorde in je tas kan stoppen. Het zware spul onderin en het lichtere bovenop. Een geplet pak melk zou alle andere boodschappen  vies en plakkerig maken dus was het nogal van belang om die bovenop te krijgen. Op de lopende band bij de kassa kon je de juiste volgorde goed bepalen omdat daar alles netjes overzichtelijk op een rijtje lag. In de winkel zelf was dat haast onmogelijk omdat ik vaak nog tijdens het lopen langs de schappen impulsief een niet geplande boodschap toevoegde aan het vooraf wel gewenste.
Na een korte rukbeweging bleek het tweede karretje lekker soepeltjes los te komen en de draai te maken zonder te blokkeren. Dat was dus in elk geval weer een zorg minder. Niets zou mijn ritje door de winkel nog in de weg kunnen staan. Met een stevige pas rolde ik mijn wagen naar de ingang die tot mijn ontsteltenis dicht bleef. De schuifdeuren schoven niet open maar bleven hardnekkig dicht. Niet van plan me zo snel uit het veld te laten slaan deed ik enkele stapeen naar achteren om het nog eens te proberen. Ditmaal liep ik ietsje rustiger om de sensor de tijd te geven mijn komst goed door te kunnen geven aan het schuifmechanisme van de deur.
Ook ditmaal niets. Uitgebreid onderzocht ik de deur op eventuele mededelingen maar het enige dat ik zag was een bordje met de openingstijden. Onzeker geworden bekeek ik nogmaals mijn uurwerk maar de winkel had al ruim een uur open moeten zijn. Zelfs al was de wintertijd ingegaan en had ik me een uur vergist omdat ik nooit op die aankondigingen lette, dan nog had de winkel al open moeten zijn.
Naar binnen turend zag ik niemand aanwezig hoewel de neonverlichting op strategische plaatsen in de winkel wel een beetje flakkerde. Ik draaide me om en bekeek het lege winkelplein. In de verte zag ik een man met een hondje aan komen lopen. Ik wachtte tot hij dichtbij genoeg was om mij te kunnen horen en riep toen: ‘Snapt u dat nou? De winkel had al lang open moeten zijn maar ik zie niemand binnen!’
In plaats van het door mij verwachte verbazing en een meelevende verbazing over deze vreemde gang van zaken begon de man te grijnzen en stootte hij enkele rochelende klanken uit die waarschijnlijk zijn manier van lachen voorstelde. Een lach die mede gevormd was door zijn fanatieke rooklust. Intussen bedacht ik mij dan ook hoe opvallend het was dat mannen die hun hond uitlaten, bijzonder vaak een nicotineverslaving hebben. Maar in hoeverre die het roken en het hebben van een hond in elkaar met verband stonden kon ik zo snel niet bedenken.
Na uitgerocheld te zijn, besloot de man mij toch nog een antwoord te geven daar ik nog steeds hulpeloos en verbaasd om en om naar de dichte deur en naar zijn gelachpiephijg staarde.
‘Op zondag is de winkel nooit open meneer!’
En opnieuw proestend van de lach liep hij verder met zijn hondje.
Met het schaamrood op mijn kaken duwde ik het wagentje terug naar het rek en bedacht dat ik in elk geval toch van die stapel kranten af was. Huppelend spoedde ik huiswaarts met mijn lege tas. Morgen zou ik een nieuwe poging wagen.

 

SUZY in NOORDELOOS

Bert kwam aanscheuren vlak voor ik bijna weer op de trein wilde stappen. “Sorry schatje, ik heb je toch niet te lang laten wachten hoop ik?”
Met mijn meest liefelijke glimlach loog ik: “Nee, joh ik was er nog maar net. De trein had toch vertraging en ik zat heerlijk op het bankje te genieten van het uitzicht.”
Hij boog zich voorover maar ik ontweek zijn zoenende lippen en gaf hem mijn tas om achterin te leggen.
Nog vijf minuten en de trein die één keer per uur reed zou me verlost hebben van het winderige bankje met uitzicht op een grasveld waarvan ik zo ongeveer elk grassprietje van afstand bekeken had, ineengedoken in mijn winterjas.
Afgelopen weekend was ik meteen in de wolken van Bert geweest. Zo’n stoere macho man, lekker nuchter van het platteland die nog werkte met zijn handen. En natuurlijk een super lekker gespierd lijf. Zo’n type kwam je in de stad zelden tegen. Altijd van die intellectuele knulletjes met hun halfzachte praatjes over hogere zaken. Dat kon al snel niet meer verhullen dat hun magere ongetrainde lijfjes amper het aanzien waard waren. Ik had mazzel dat Bert toevallig net in deze kroeg met zijn vrienden was gaan stappen in de stad waar hij naar eigen zeggen normaal zelden kwam. Binnen tien minuten was het raak en zoenden we of we al weken smoorverliefd waren. Het enige minpuntje was dat hij nog dat hij met zijn neef in Noordeloos woonde in de schuur naast de boerderij van zijn ouders.
Nadat hij maandagavond kort mijn flatje in de stad had bezocht omdat hij toch in de buurt moest zijn, had ik beloofd hem de volgende dag op te zoeken met het boemeltje. Tot zijn grote verbazing had ik geen rijbewijs terwijl hij tot mijn verbazing geen mobieltje had zodat ik hem bij het station niet kon bellen.
“Vind je het erg als ze nog even bij mijn zus langs gaan?”
Had ik een keuze? “Niet te lang dan.”
“Is goed. Vind je het mooi hier?”
“Ietsje teveel gras. Ben je daar nog niet op uit gekeken?”
“Neuh, is toch prachtig. Het liefste blijf ik tot mijn dood hier maar dat zal niet gaan vanwege de ongeschreven wetten van Noordeloos.”
Phew, dus er was nog hoop dat er toekomst in zat met hem en dat ik hem hier uit dit gat zou weg krijgen. Ik verborg mijn opluchting en vroeg onverschillig: “Wat voor wet is dat?”
“Als je zestig bent moet je het dorp verlaten en je eigendom overdragen aan je opvolger. Nog twee jaartjes en dan kan ik de boerderij van mijn pa overnemen! En als ik dan zelf zestig wordt gaat het zaakje naar onze eigen kinderen.”
Ik moest even slikken. Zei hij nou echt onze eigen kinderen?
“En waar gaat je ouders dan heen?”
“Tja, weet ik veel. Ergens anders. Dat maakt niet uit. Voor mijn part ergens in een tehuis of zo. Of misschien gaan ze wel naar een ver eiland. Als ze hun kroost maar niet in de weg gaan lopen. Hun tijd is dan voorbij.”
“Leuke traditie” sneerde ik.
Door de ruiten bleef maar eindeloos lang het eentonige gras voorij trekken met hier en daar eens een boerderijtje. We zwegen tot Bert een grindpad opreed: “Hier is het.”
Bert sprong uit de auto en keek na toen stappen verbaasd om:”Kom je nou nog?”
Mijn deur klemde aan de binnenkant. Hoe ik ook trok en duwde, hij ging niet open. Dan maar kruipen over de bestuurdersplaats. Bijna kukelde ik voorover met mijn gezicht in het grind.
“Lekker soepel”grijnsde Bert.
Ik krabbelde overeind en zag een vrouw lachend voor het raam staan.
“Hoi, jij moet Suzie zijn. Ik ben Rita, de zus van Bert. Hij heeft je vast al heel veel over mij verteld. Geloof er maar niks van hoor.”
Ik knikte en bedacht me dat ik niet meer van haar wist dan ze net zelf vertelde: Rita, zus van Bert.
“Wat drinken?”
“Eh, nee dank je, eigenlijk wilden we maar kort blij…”
“Ja, lekker schenk maar wat fris in” onderbrak Bert me.
“Gezellig jongens, dat jullie even langs komen” straalde Rita met twee glaasjes fris in haar handen, “Hee en kijk daar eens, daar heb je Tina ook!”
“Da’s mijn andere zus”vulde Bert aan.
Ik keek eens rond in de kamer, zag de oude meubeltjes en het versleten vloerkleed met het bloemetjesmotief. Wanneer zou dit gemaakt zijn? Meer dan een eeuw geleden? Ik besloot de bloemetjes te gaan tellen en was bij 276 toen ik hoorde “Hè Suzie, ja toch zeker?”
Zonder op een antwoord te wachten, ratelden de drie alweer door en begon ik opnieuw met het tellen van de bloemetjes.
Na drie kwartier stootte ik Bert aan. “Nog eventjes” siste hij, “we gaan zo”.
Ik slaakte een diepe zucht die overging in een poging tot een vriendelijke grijns toen Rita plots voor me stond “nog een glaasje meid?” maar voordat ik nee kon schudden klotste de frisdrank al over de rand van het glas op mijn schoenen. Ik zag de cola het dure leer vrolijk bijkleuren in koevlek motief.
“Geeft niks hoor, ’t is toch een oude vloer!” deed Rita of ik de cola had gemorst.
Ik vloekte binnensmonds en vroeg zachtjes waar ik me kon opfrissen.
“De plee is buiten in het zijgebouwtje aan de voorkeuken. Tja, alles wat erin komt moet er ook uit he!” gierde Rita het uit alsof ze een hele goede mop had verteld.
“We moeten maar eens gaan” eiste ik toen ik mijn schoenen in het houten hokje helemaal naar de filistijnen had gepoetst.
“Nou, pittig wijfie Bert, is wel eens goed voor je” keurde Tina mij goed.
“Leuk je te hebben leren kennen Suzie en pak die broer van ons maar eens flink aan hoor!”
“Moest dat nou?” bromde Bert achter het stuur.
“Je had gezegd eventjes. Anderhalf uur is alles behalve eventjes. Ik had gehoopt even wat tijd voor onszelf te hebben. We zij nog amper alleen geweest.”
“De dag is toch nog niet voorbij. Nou, laten we maar naar mijn huis gaan.”
“Is het nog ver?” mokte ik.
Bert zuchtte en zette een muziekje op. Vage poldercountry van een local hero op de geheime zender Noordeloos.
“Ja, ja Noordeloos heeft het allemaal: Dit weekend treed hij op in het dorpshuis en de dag erna is het grote knikkerkampioenschap op het plein. Dat hebben ze in de stad niet he?”
Ik luisterde al niet meer en keek naar zijn gespierde bovenarmen. De avond zou vast te gek worden. Samen op de bank na een heerlijke boerenmaaltijd. Ik verheugde me er al op in zijn armen weg te kunnen smelten. Dan zou alles weer romantisch en heerlijk zijn.
“Hier is het” draaide Bert de auto voor een grote verbouwde schuur. Vanuit de naastgelegen boerderij schuifelde een kromme gestalte naar de schuur. Een afschrikwekkende tandeloze gebochelde gestalte met grote puisten op zijn neus en een knoert boven zijn linkeroog. Ik wilde al bijna gaan gillen toen Bert zijn hand op stak: “Ha pa!”
Het oude mannetje gromde iets en liep zonder te kijken langs mijn uitgestoken hand naar binnen. "hallo meneer, ik zal me even..."
Fronzend keek ik Bert aan. Die negeerde me en liep achter zijn vader aan naar binnen.
Ik keek op mijn horloge en zag dat het al bijna half zeven was. Mijn maag rammelde want ik had sinds vanmorgen al niks gegeten van de spanning. Intussen was mijn eetlust goed terug gekomen en de spanning was vervangen door frustratie. Ik hoopte dat Bert het in elk geval goed zou maken met een heerlijke zelfbereide maaltijd. Na een half uur met Bert en zijn pa in de kamer leek nog niemand aanstalten te maken de keuken in te gaan. De stilte werd af en toe verstoord door wat onverstaanbaar gemompel in het lokale dialect van Bert en zijn vader. Twee keer gromde de oude man ook iets knikkend in mijn richting maar ik kon geen antwoord geven omdat ik hem niet verstond en lachte geforceerd terug naar hem. Daarna gaf hij het op en negeerde me helemaal. Mijn ongeduld raakte op maar voorzichtig probeerde ik Bert aan het eten te herinneren: "Ik weet niet hoe het jullie belieft maar ik zou wel wat lusten zo onderhand."
Bert keek me schaapachtig aan. "Oh, ja, hmmm, misschien weet Peter iets."
Niet begrijpend schudde ik mijn hoofd: "Peter?"
"Ja, mijn neef. Dit huis is van ons beiden."
"Maar je hebt je neef toch niet nodig om even wat lekkers klaar te maken? Ik dacht dat je al iets op zou hebben staan."
"Nee, hoezo? Ik kan trouwens zelf niet eens mee eten want ik moet om half acht bij de club zijn. Dan eet ik daar wel een patatje."
"De club?"
"Ja, ik doe aan fitness. Hoe dacht je anders dat ik aan deze joekels kwam?" en hij rolde zijn mouwen op.
"Maar ik dacht dat we samen.."
"Hee, ik ben over een paar uurtjes weer terug. Kan je gezellig nog even met mijn vader praten toch?"
"Maar we zouden toch samen iets doen? Kan je dat fitness niet een keer overslaan nu ik er ben?"
"Maak nou niet zo'n drama, we zijn toch al de halve dag gezellig samen? En ik ben d'r zo weer dus..."
Ik vroeg me af welke conclusie hierop zou volgen maar hij was al de gang op om zjn sportspullen te pakken.
"Wat dus?" vroeg ik hem toen de kamer weer in liep.
"Huh? Ja, kus! Hee kijk maar lekker tv of zo en kijk maar in de koelkast of er nog iets ligt. Tot straks!"
Tot straks? Wat deed ik hier nog? De oude man kauwde wat op zijn tandvlees en keek wat voor zich uit. Ik kon nergens heen. De dichtstbijzijnde halte was niet binnen loopafstand dus voorlopig zat ik vast in het ellendige Noordeloos. Wat kon ik doen dan er maar het beste van te maken voor zover dat mogelijk was.
"Woont u hier al lang?" probeerde ik een praatje aan te knopen met de oude man. Hij negeerde me echter volkomen en knipperde niet eens met zijn ogen. Het enige geluid dat volgde was een diepzittende rochel waarna een fluim in de plant naast zijn stoel volgde.
De klok leek niet vooruit te branden. Ik dacht dat er al twee uur voorbij was. Het bleken slechts 12 minuten te zijn. In de keuken keek ik in de koelkast waar tussen de stapel flesjes bier alleen een wegrottende halve komkommer lag. Ik zuchtte diep. Kon het nog erger?
Nauwelijks terug in de woonkamer klonk een scheet. De stank verspreidde zich snel en was bijna ondragelijk. Ik probeerde mijn adem in te houden en rende naar het raam om deze te openen. De oude man bleef onverstoorbaar voor zich uit kijken.
In het halletje hoorde ik de voordeur open gaan. Even had ik nog hoop: zou Bert zich toch bedacht hebben?
"Hee, hallo, een vol huis, gezellig!" kwam een joviale jongeman de huiskamer binnen.
"Hoi, ik Suzy, de vriendin van Bert en jij bent waarschijnlijk Peter?"
"Yep, en waar is die neef van me? Oh ja, sportschool natuurlijk. Wees maar niet bang hoor, dan zal ik wel op je passen." lachte hij.
"Nou, als je toch op me wil passen, weet je dan ook of er wat te eten in huis is want ik rammel van de honger en Bert zou op de sportschool eten."
"No problemo, ik kijk wel effe in de vriezer of er wat valt op te warmen. Maar eerst gooi ik die ouwe er even uit want ik ruik dat ie weer bezig is geweest. Kom ome Arie, laat mij eens even alleen genieten van ons vrouwelijk bezoek."
Dat viel weer alleszins mee. De neef van Bert leek me nog de normaalste van de familie. Binnen tien minuten had hij me verlost van de oude man en kreeg ik een bord met magnetronvoer voorgeschoteld dat op dat moment smaakt naar haute cuisine van de beste chefkok van Parijs. En die Peter was nog een aardige vent ook. De good looks zaten in elk geval in de familie want hij was even gespierd en breed als zijn neef. Maar hij leek wel wat socialer. Eigenlijk vond ik hem meteen een stuk leuker dan Bert maar dat kon ik natuurlijk niet maken. Al die sociale regeltjes ook altijd.
"Smaakt het een beetje schoonheid? Tjonge, ik wist niet dat mijn neef zo'n goede smaak had, meestal komt ie thuis met van die lokale molenpaarden maar jij mag er zijn zeg!"
Ik verslikte me bijna en kreeg een knalrood hoofd.
"Hee, daar hoef je je toch niet voor te schamen? Die neef van mij boft maar met zo'n beauty. Ik haal even wat water voor je."
Peter bleek met de minuut nog leuker dan ik al gedacht had. Ik giebelde om al zijn grapjes en na een half uur was het al zo vertrouwd om met hem samen te zijn dat het leek of we elkaar al maanden kenden.
"Bert boft maar dat ie het huis deelt met zijn leuke neef!" complimenteerde ik hem halverwege een grappig gesprek over de overeenkomst tussen stieren en boeren.
"Ja, het bevalt goed hoor met zijn tweetjes. Lekker doen waar we zin in hebben. En die Bert kan je wel hebben hoor. Als het erop aan komt is ie er voor je."
Ik voelde me opeens zwaar schuldig dat ik Peter zoveel leuker vond dan Bert maar ik mocht natuurlijk ook niet hun nauwe nevenband verbreken. Of moest ik toch voor mezelf kiezen? Wat kon mij die Bert ook schelen! Ik kon het beter even voorzichtig afwachten. Zometeen gooiden ze me midden in de nacht de straat op en stond ik tussen de weilanden te kleumen in het holst van de nacht.
"Heb jij geen vriendin dan? Zo'n leuke knappe vent?"
"Ach, vrouwen. Af en toe heb ik wel een scharreltje maar de ware ben ik nog niet tegen gekomen. En Bert was tot voor kort net zo. Je moet wel heel bijzonder zijn dat hij meteen zo hard van stapel loopt! Had ik maar zo'n geluk maar ach, vrijgezel zijn bevalt me ook prima hoor."
"Zo dik aan is het ook nog niet hoor. We kennen elkaar nog maar net dus het kan nog alle kanten op hoor."
"Nou, Bert mag dan wat stug overkomen. Het is een goede vent dus geef hem wel een goede kans. Ik gun hem het allerbeste."
Bah, wat was die Peter aardig. Ik voelde dat hij me ook leuk vond maar zijn fatsoen deed hem voor de bescherming van zijn neef kiezen. Misschien moest ik Bert nog maar een kans geven om Peter te laten zien dat ik echt een aardig lief meisje was.
De deur vloog open. Met een rode natte kop sjokte Bert naar binnen: " Daar ben ik weer! Pa al weg?"
"Hee, liefje, lekker gesport?" speelde ik het perfecte vriendinnetje.
"Zeker, ik ben kapot. Nog even een biertje en dan duiken we het nest maar eens in."
We gingen dus niet nog even stappen. En hij had nog wel zoveel lopen pochen over de schuurfeesten hier in het dorp. Ik slikte mijn teleurstelling weg. Bert zag er wel heel lekker uit in zijn sporthemdje. Wellicht kon het in bed heel knus worden. De goeige onschuldige blik van hem deed me weer net zo smelten als in de disco.
"Welterusten Romeo en Julia" glimlachte Peter. Ik knipoogte naar hem en liep achter Bert aan de trap op.
"Leuke neef! Het was gezellig met hem."
"Ach ja, hij is wel okee."
"Je hoeft je niet te douchen hoor, ik hou wel van een beetje zweetlucht."
Bert keek me niet begrijpend aan en haalde zijn schouders op: "Wat jij wil."
In de badkamer trok ik mijn mooiste nachtgoed aan: ik zou die Bert een nacht bezorgen die hij nooit meer zou vergeten. Hij was natuurlijk nog nooit eerder met een echte vrouw geweest, alleen met dikke koeien. Ik bekeek mezelf in de spiegel en floot zachtjes goedkeurend naar mijn speiegelbeeld zoals bouwvakkers dat doen. Ik droeg een kort doorzichtig nachthemdje dat net over mijn schaamstreek viel. Geen enkele man zou mij nu kunnen weerstaan bedacht ik tevreden.
Bert lag in zijn sportkleren op het bed al een beetje te snurken toen ik binnenkwam. Ik kroop vanaf het voeteneind op hem en kuste hem van teen tot top wakker.
"Hee, ik sliep al"
"Geen tijd voor slaap liefje, tijd voor spelletjes!" kuste ik hem.
"Hmmm. nou okee dan" bromde hij.
Hij zoende me terug en stak ruw zijn tong naar binnen, snel op en neer. Ik kuste snel verder in zijn nek. Dat tongzoenen zou ik hem later nog wel even bijschaven. Plots pakte hij me beet en gooide me op mijn rug, kneed mijn borsten of het sinaasappels waren die moetsen worden uitgeknepen, en haalde zijn geslacht uit zijn broek. Met een ferme ruk trok hij mijn dure nachthemdje stuk, kreunde twee keer en kwam al klaar terwijl hij probeerde naar binnen te komen. Mijn hele been zat onder zijn kleverige sap. Hij droogde zijn geslacht met de restanten van mijn nachthemdje, deed hem terug in zijn onderbroek en liet zich weer op zijn rug vallen.
De hele scene had hooguit een minuut in beslag genomen en als een blok viel hij weer in slaap. Alsof er niets was gebeurd snurkte hij gewoon verder.
Woedend schudde ik hem wakker: "Hee, klootzak, wat doe je nou? Moet je kijken wat je hebt gedaan!" en ik wees hem mijn kapotte besmeurde achthemd en mijn kleffe been. "Ga nu maar slapen liefje" was het enige wat hij terug kon mompelen.
"Slapen? Je hebt niet eens een condoom gebruikt sukkel."
"Ja, sorry dan, ga nu maar slapen." herhaalde hij.
"Zometeen ben ik zwanger van je!"
"Lijkt me wel leuk om vader te worden, ga nu maar slapen."
"Ik wil nu naar huis" brieste ik laaiend.
"Ga nu maar slapen" bleef hij monotoon als mantra herhalen.
Ik beukte op zijn hoofd: "Nee, jij brengt me nu naar de trein. Het is nog vroeg dus ik kan de laatste trein nog makkelijk halen. Ik wil hier geen seconde langer blijven!"
"Goed, goed, dan breng ik je wel naar huis."
"Nee, niet naar huis. Ik wil niet dat je helemaalnaar de stad mee rijdt. Naar het station wil ik. Dan redt ik me wel verder."
"Maar ik wil je wel naar huis brengen."
"Ben je doof of zo? Breng me nu naar de trein. Nu, nu nu!"
Snel kleedde ik me aan.
Beneden hing Peter voor de buis. "Hee, ga je al?"
"Ja, ik moet de laatste trein halen. Ik moet morgen vroeg op." loog ik.
"Jammer, en ik had morgenvroeg nog wel een ontbijtje voor het liefdespaar willen maken."
"Hartstikke lief van je maar we moeten echt gaan. Kom Bert, leuk je ontmoet te hebben Peter."
Bert sukkelde achter me aan, nog half slaapdronken.
De hele rit naar het station in het donker zwegen we. Vlak voor we er waren reed Bert nog een dier aan maar hij reed gewoon door.
"Moet je niet even kijken?" snauwde ik.
"Ach, gewoon een kat of zo."
"En als die kat nu van iemand is? En misschien leeft ie nog wel!"
"Pffff, jij je zin" stopte Bert de auto. Ik stapte uit en liep terug naar het dier dat inderdaad een kat was maar nog nauwelijks als zodanig herkenbaar. Het banden spoor was goed zichtbaar over zijn rug. Zijn ingewanden lagen verspreid over het wegdek en voor ik kon wegkijken stond ik over te geven. Mijn hele magnetronmaaltijd over de dode kat. Zelfs nadat mijn maag leeg was bleef ik kokhalzen.
"En heb je hem alvast begraven?" grapte Bert toen ik weer in de auto ging zitten.
Bij het station aangekomen sprong ik de auto uit naar het perron.
"Zal ik nog even wachten tot de trein er is?" bood Bert galant aan. Ik gebaarde dat hij moest gaan.
Eenmaal op het verlaten perron hoorde ik alleen nog het monotone getik van de stationsklok. Na tien minuten in de verte gestaard te hebben, besloot ik eens op de vertrektijdenlijst te kijken. De laatste trein bleek twaalf minuten geleden vertrokken te zijn.

TWEE MINUTEN TERUG NAAR TOEN

‘Afstappen, u kunt hier niet verder’ beval de agent met zijn rechterhand omhoog gestoken. Ternauwernood wist Denis te remmen. Bijna vloog hij over zijn stuur. Hadden ze het hier nou alweer veranderd? Je mocht toch eerst aan de overkant van de gracht niet fietsen? En dan dat toontje van zo’n agent: Hij kon hier heus wel fietsen, hij mocht het alleen niet. Met de fiets aan de hand liep hij onder de domtoren door om op een bomvol plein te belanden.  Hier kon hij echt niet verder lopen met zijn  fiets. Dan maar even terug en hem vast maken aan de gracht.
Met rode konen, nog half van verontwaardiging, maar ook van schaamte, liep hij terug naar de gracht langs de agent die hem vriendelijk toeknikte. Denis keek op zijn horloge: tien voor acht. Dat was waar ook. Het was bijna zo ver. En dat terwijl het toch een soort traditie was om elk jaar met zijn allen op dit plein stil te staan.
Zijn fiets maakte hij maar aan twee sloten vast dit keer. Wie zou het in zijn hoofd halen om juist nu fietsen te gaan stelen? Dan zou je zeker en vast branden in de hel in het hiernamaals. Dat was net zoiets als voetballen met kransen. Nou, ja bijna in die orde dan. Met kransen een goal scoren tegen het hoofd van Anne Frank die fier rechtop stond te glimlachen naar de menigte om haar heen behoorde natuurlijk tot de buitencategorie heiligschennis.
‘Is er veel volk op komen dagen agent?’ probeerde Denis zijn foute inschatting van zojuist goed te praten.
‘Nou, als je het zo ziet vraag je je af welke doden ze eigenlijk herdenken want ze lijken wel allemaal hier te zijn.’ probeerde de agent lollig te doen.
Denis wist niet of hij een geforceerde grijns op kon brengen voor deze ongepaste grap en liep maar door tot het plein. Daar stonden massa’s mensen opeengepakt te wachten op wat komen ging. Veel ouderen die zelf de gruwelijkheden uit die tijd nog hadden meegemaakt. Het leek wel of de inwoners van alle verzorgingstehuizen uit de domstad hierheen waren gekomen, lopend, leunend op rollators of geduwd in rolstoelen. Tussen hen in ook veel jongeren, voornamelijk studentikoze types en jonge ouders met hun kroost. De generatie daartussen ontbrak nagenoeg geheel. Het leek of herdenken alleen een kwestie van het verleden en van de toekomst was. Het heden dat vast zat in het ego-tijdperk van ‘vol-is-vol’ en ‘ik of een ander’ kende geen tijd voor dergelijke sentimenten.
‘Hee, Denis, jij ook hier? Hier pak aan of ken je de tekst al?’
Verbaasd keek Denis eerst naar het papier dat voor zijn neus werd gehouden en vervolgens naar de afzender. Lachend accepteerde hij het drukwerk. ‘Karst kerel! Dat is een tijd geleden!’
‘De trein naar het mediapark halverwege vorig jaar. Ik had een optreden bij een muziekprogramma, maar ik heb eigenlijk niet zo veel tijd om nu te praten. Loop anders even met me mee want ik moet opschieten.’
‘Wat ben je aan het doen dan?’
‘Kijk dan op het papier dat ik je net gaf.’
‘De tekst van ons volkslied…?’
‘Ja, het stoorde me dat bij het voetbal en bij herdenkingen zoals deze bijna niemand meer uit volle borst mee galmt. De trots op ons eigen vaderland lijkt wel verdwenen. Op deze manier probeer ik weer een beetje dat gevoel terug te brengen. Hier meneer, eentje voor u, kunt u ook meezingen.’
Denis volgde Karst die zich met moeite door de menigte drong op zoek naar nieuw publiek dat nog geen tekst had ontvangen. ‘Ik heb het eerste en het zesde couplet erop gezet omdat die het vaakst worden gezongen. Het is misschien een beetje ludiek allemaal maar toch mijn manier om een kleine bijdrage te leveren aan een hernieuwde opleving van vaderlandsliefde die dit land zo hard nodig heeft!’
‘Nee, dank je wel. Ik hoef die troep niet.’
Denis keek verbaasd om. Weer een bekende stem. Elk jaar was het weer raak op het plein. Al die mensen uit een ver verleden bleven trouw komen. Het werden er wel minder maar het was het enige contact met hen dat hij nog had. Marcel had hij twee jaar terug voor het laatst gezien. Vorig jaar liet hij verstek gaan omdat hij op het punt stond vader te worden had hij begrepen van Bart die hem nog wel eens tegen kwam.
‘Mars, nog gefeliciteerd met je kind! Hee Kars, ik zie je straks nog. Later!’
‘Denis, hoe wist je dat? Ja, kleine jongens worden zelf pa. Zo gaan die dingen he?’
‘Geen zin om mee te blèren met ons nationale volksgeblaat?’
‘Ach, kom. Ik ben hier voor de sfeer en voor de doden maar toch niet voor het koningshuis? Ze moesten hoog nodig eens een nieuw deuntje verzinnen. Kan die Kars van jou dat niet doen? Die zat toch in de muziek?’
‘Die is dat lied hier juist aan het promoten omdat hij zich schaamt voor de vele stille toehoorders bij het zingen van het lied na afloop.’
‘Tja, vind je het gek? Hoe verzinnen ze het ook? Duitse bloed terwijl we juist de oorlog tegen hen herdenken. En dan die koning van Spanje. Die gast heeft hier toch juist tachtig jaar de boel proberen plat te gooien en dan moeten wij zingen dat we hem altijd geëerd hebben? Het is nog een wonder dat er elke jaar nog een paar hersenweke types zo onnadenkend zijn om dat gedrocht überhaupt mee te mompelen. Nee, mij niet gezien!’
‘Ach, die Kars bedoelt het goed. Ik ben benieuwd of zijn actie succes zal hebben. Het is wel weer typisch Kars. Het valt me nog mee dat ie zijn website er niet onder heeft gezet ter promotie.’
‘Hee gast, we praten zo verder. Het getoeter is begonnen.’
Na de laatste toon van de trompetter sloeg de achtste bel van het klokkenspel van de domtoren die voor de gelegenheid die middag nog op tijd was gezet. Dat was wel nodig omdat hij dagelijks zes minuten achter ging lopen en het zou wat slordig staan als de klokken midden in de stilte zouden gaan slaan.
De stilte die volgde was indrukwekkend. Ondanks de vele mensen die zich op het plein hadden verzameld hoorde je op een kort kuchje na geen menselijk geluid. Wel wat geritsel van bladeren en het geruis van de wind die om de toren joeg. Enkele vogeltjes namen de gelegenheid om hun lied luidkeels te laten horen. Het gefluit echode over het stille plein. Twee minuten waren zomaar voorbij. Hij moest ze effectief zien te besteden dacht Denis. Moest hij aan de gevallenen denken of was dat meer voor de oudere aanwezigen die hen wellicht zelf nog gekend hadden? Misschien oorlogsslachtoffers over de hele wereld dan. Maar die waren ook zo anoniem. Sowieso slachtoffers van geweld waar dan ook of zelfs iedereen die ooit gestorven was. Hij kende eigenlijk weinig dode mensen. In zijn familie was iedereen redelijk gezond en werden ze ook flink oud. Tja, er was natuurlijk wel een oom overleden maar hij wist niet of het de bedoeling was om daar nu aan te denken. Als het nou door geweld was gebeurd maar het was door een slopende ziekte. Wat natuurlijk ook geweld was maar dan natuurgeweld.
Oeps, liet ie zich toch weer afleiden. Even onopvallend op zijn horloge kijken. Nog een minuut. Als zijn horloge tenminste goed liep. Hij had niet gekeken op het moment dat de tijd inging of zijn klokje wel gelijk liep met die van de domtoren. Onopvallend spiekte hij omhoog maar daar was weinig te zien want de klokkentoren gaf geen seconden aan en ook de wijzers waren te ver weg om goed te kunnen zien waar ze precies stonden.
Denis dwong zichzelf snel terug naar het herdenken voor het te laat zou zijn en de tijd om was. Zou hij ook mogen denken aan zijn overleden poes die geplet was door een te hard scheurende patserwagen in zijn woonwijk? Of gold de herdenking puur voor mensen? En als zo’n beest dan heldendaden had verricht in de oorlog? Dan wel? Als hij bijvoorbeeld een groep vluchtelingen door de vijandelijke linies naar een veilige plek had geloodst of zoiets.
Denis keek voorzichtig links en rechts van hem. Marcel keek neutraal voor zich uit. Misschien dacht hij wel niks of genoot hij van de rust die hij thuis met een schreeuwende baby maar sporadisch kon krijgen. Of aan de beste oplossing om dat keukenkastje weer goed te bevestigen. Links keek een meisje zo verdrietig dat je bijna zou denken dat ze op een begrafenis stond. Wie weet was haar opa wel gesneuveld of had ze een vader, oom of broer op vreselijke wijze verloren in de strijd tegen de Irakezen, Serviërs of de Taliban. Gelukkig had hij zelf net op tijd de dienstplicht misgelopen. Hij moest er niet aan denken, een beetje vechten voor een land terwijl je er zelf niet om gevraagd had daar te willen wonen. Je kon zelf niet je plek van geboorte uitkiezen wat toch eigenlijk wel onrechtvaardig was.  Op zich was het dan wel redelijk okee hier maar hij wist zeker dat als er oorlog uit zou breken hij liever zou vluchten naar een veilig land om zijn hachje te redden dan te vechten voor een land of voor een leider die er op zijn beurt zelf dan wel zorgde dat hij op een veilig plekje zou zitten.
‘Is e papa Denis da?’ hoorde hij een schril kinderstemmetje de stilte doorboren. Dat leek kleine Wesley wel. Wat deed die op deze tijd nog op? Die hoorde toch al lang in zijn bedje te liggen? Denis draaide zich rustig om en keek meteen recht in de vrolijke snoet van Wesley, een peutertje die bij hem in de straat woonde. Apetrots torende hij vier rijen achter hem op de schouders van zijn papa boven iedereen uit. Die probeerde hem onopvallend te sussen maar Wesley bleek er weinig van te begrijpen. ‘Isse allemaa stil he?’ brabbelde hij vrolijk door.
Denis zag hoe mensen krampachtig probeerden hun ergernis over het verbreken van de stilte te negeren en terug te keren in hun herdenkingsgevoel. Het was echter te laat. De trompetter kondigde het einde van de stilte aan en daarna barstte een voltallig orkest los in het volkslied. Geïrriteerd keken nu wat mensen maar Wesley’s vader haalde nonchalant zijn schouders op met een gebaar van ‘het blijven kinderen he’.
Denis knikte even kort glimlachend naar hem. Pa en zoon staken beiden vrolijk hun hand op, blij om toch wat begrip te vinden in deze massa.
Even verderop was Karst met diepe bromstem losgebarsten in een overtuigende versie van het volkslied alhoewel hij zo hard zong dat hij de muziek niet meer hoorde waardoor hij ietsje achterliep op de rest. Dat viel des te meer op omdat bijna niemand mee zong. De meesten keken vroom voor zich uit alsof ze niet wisten dat het de bedoeling was dat zij ook mochten participeren. Een paar vrienden van Kars zongen wel mee. Denis probeerde een halve zin ‘de vaderland getrouwe’ maar stopte toen weer omdat hij het hypocriet vond om het ‘tot in den dood’ uit zijn strot te krijgen.Bovendien kreeg hij verontwaardigde blikken van Marcel en vond hij het te opvallen met al die zwijgende mensen om zich heen dus zweeg hij de rest van het lied maar solidair mee met de meerderheid.
Na afloop van het lied schuifelden er enkele oudjes naar voren voor de kranslegging. Denis keek goed rond. Weinig allochtone medeburgers aanwezig. Zouden er ook Duitsers solidair op het plein staan? Vorig jaar was hij hier Gottfried nog tegen gekomen, een Duitse dichter die zich hier had gevestigd omdat het taalgebied kleiner was om in door te breken. Maar die was meegesleept door zijn Nederlandse vriendin dus dat telde niet.
Marcel drong zich naar voren om meer te kunnen zien. Denis had geen zin om mee te gaan en wilde liever wat lucht. ‘Ik ga even met wat kennissen praten, misschien zien we elkaar straks nog.’
Marcel stak zijn duim omhoog ten teken dat hij het prima vond en Denis liep naar Wesley en zijn vader van wie hij eigenlijk niet eens zijn naam wist.
‘Hee Wesley, mocht je nog zo laat opblijven? Bof jij even!’
‘Dag buurman, ja met zulke tradities kan je niet vroeg genoeg beginnen he? Voor je het weet scheren ze hun hoofd kaal en hangen ze swastika’s op in hun kamertje’ bulderde Wesley’s vader.
Ik ben niet eens zijn buurman, dacht Denis.
‘Muziek issa toeteretoet!’ kraaide Wesley enthousiast.
‘Hij heeft er in elk geval van genoten’ glimlachte Denis ongemakkelijk.
‘Ja, zulke dingen onthoud zo’n kind de rest van zijn leven. Ik weet nog dat mijn pa me ‘s nachts wakker maakte voor de rumble of the jungle. Ja, dat was me wat. Dat maakt indruk op je als klein ventje.’
Denis wist even niet wat hij moest met deze ongemakkelijke vergelijking en knikte maar.
‘De vrouw wilde niet mee?’ viel hem na enige stilte te binnen.
‘Nah, die zei ga jij maar met de kleine, ik kijk het wel op tv, dan kan ik beter zien of er nog bekenden zijn. Ze heb het trouwens opgenomen voor me dus als je wil kan je jezelf terug zien als je geluk heb! Ja, de techniek staat voor niks maar die sfeer zoals je die hier voelt die kenne ze d’r niet bij leveren of niet dan?’
Het lukte Denis dit keer niet de stilte te vullen maar hij werd geholpen door Marcel die alweer terug was gekomen.
‘Veel te druk daarzo man. Ik geloof het wel. Hoi, ik ben Marcel, een oude bekende van Denis en dit is Bob waar ik mee had afgesproken om te gaan poolen. Mochten jullie zin hebben…’
‘Nee, ik ga die kleine zo even naar bed brengen. Hij heb het laat genoeg gemaakt.’
‘Hij kan toch nog wel opblijven. Hoe oud is ie dan? Een jaar of acht?’ vroeg Bob, een vadsige figuur met wat slierten haar over zijn hoofd geplakt en een overhemd met grote zweetplekken onder de oksels en op zijn rug.
‘Nee, dit gozertje is nog maar drie. Ken je wel zien dat je zelf geen kinderen hebt. Hee maar ik gaat dr van tussen. Een fijne avond verder en toedelodokie!’
‘Dag Wesley, slaap lekker!’ riep Denis hen nog na.
‘Ik heb trouwens jouw naam niet verstaan maar je komt me zo bekend voor’ reikte Bob Denis de hand.
‘Denis, bekende van Marcel’
De natte kleffe hand van Bob zoog zich als een zuignap vast op zijn handpalm.
‘Hmmm, die naam zegt me niks maar ik heb toch het gevoel dat we elkaar eerder hebben ontmoet.’ bleef Bob proberen terwijl hij zijn greep verstevigde.
‘Misschien een keer bij Marcel vroeger?’ probeerde Denis zijn hand los te wrikken.
‘Nee, dat denk ik niet. Het moet ergens anders geweest zijn.’
‘Doe je iets in de literatuur? Schrijf je of treed je wel eens op als dichter?’
‘Nee, ik werk met jonge kinderen. Ik ben jeugdpsycholoog, hmmm ja.’
Denis wist niet meer hoe hij los kon komen. Bob bleef hem maar doordingend intimiderend aanstaren terwijl hij de greep van zijn hand weigerde te verslappen. Marcel leek niets door te hebben en staarde intussen naar een leuk meisje dat ietsje verderop met een groepje vriendinnen stond na te babbelen. Wat een hufter was die Bob. Wie hield er nou zo lang iemands hand vast? Wat moest die gast van hem? Hij kende hem niet en had hem gelukkig voor zover hij zich kon herinneren nooit eerder gezien. Jeugdpsycholoog pfff, en dan een peuter aanzien voor een achtjarige. Er was iets goed mis met deze knakker.
‘Hee, Mars. Ik ga maar niet mee poolen want ik wil nog even bijpraten met wat oude maten van me maar zeg even waar jullie zitten. Misschien kom ik dan later nog.’
‘We zitten bij de Mariaplaats en je bent van harte uitgenodigd’ sprak Bob ongevraagd.
Denis trok met geweld zijn hand los en tikte Marcel losjes op de schouder: ‘Zie je later! Goed je gezien te hebben.’ Bob keurde hij geen blik meer waardig.
De blonde kuif van Karst stak enkele meters verder boven de dunner wordende menigte uit. Bij hem stond nu ook Roel, bijna onherkenbaar vanwege een ouderwets model brilletje. Hij leek nu niet meer op die bekende voetballer waar hij altijd voor aangezien werd. Ook zijn gezicht was afgelopen jaar een stuk ouder gaan lijken. De jongensachtige kop met dons onder zijn kin had plaats gemaakt voor een pukkelig ongeschoren hoofd met diepe groeven die hem een stuk ouder maakten dan hij in werkelijkheid was.
Denis sjokte naar het groepje van Karst en Roel en ging bij hen staan zonder dat hij opgemerkt werd. Karst was enthousiast over zijn actie en gesticuleerde verontwaardigd dat er desondanks weer veel te weinig meegezongen werd. Het groepje om hem knikte bevestigend mee.
‘Hee Roel, nieuwe look?’ stootte Denis hem voorzichtig aan.
‘Denis, jij ook hier? Ja, die migraine bleek gewoon door slecht zicht te komen dus ik moest aan de bril. Maar sindsdien heb ik er nog amper last van. Echt te gek. Ik voel me nu een stuk beter.’ sprak hij ongeloofwaardig naar de grond kijkend. ‘Maar hoe is het met jou dan? Nog steeds die superbaan van je?’
‘Nee, helaas. Ze hebben me er van de week uit geknikkerd. Daarom kwam ik naar de stad. Even alles vergeten. Wat drinken. Ik was helemaal vergeten dat het vandaag de vierde was maar wel goed dat ik daardoor jou weer eens zie.’
‘Ja, ja’ luisterde Roel nog maar half en alsof hij een plotselinge ingeving had, draaide hij zich om naar het groepje achter hem van wie Denis de helft maar vaag bekend voor kwam: ‘Hee, jongens: Denis hier is net zijn baan kwijt!’
Zulk goed nieuws was dat ook weer niet en Denis had er eigenlijk helemaal geen zin in omdat met wildvreemden te delen. Hij kwam juist naar de stad om aan wat anders te denken. Die klootzak van een Roel was nog net zo egoïstisch als vroeger. Hij zag mensen alleen maar als figuren in zijn nieuwste boek. Zijn eerste boek wel te verstaan want hij had tot nog toe nog nooit een idee compleet uitgewerkt tot iets publiceerbaars. Hij had waarschijnlijk geen trek om te praten over zijn eigen mislukte carrière en gebruikte anderen als excuus om niet over zichzelf te hoeven denken. Dat was zeker de reden dat hij zich altijd omringde met al die losers bedacht Denis kwaadaardig. Het ontbrak er nog maar aan of de grootste klaploper van de stad zou ook bij dit genante moment aanwezig zijn. Van Ralf was echter nog geen spoor te bekennen. Gelukkig maar.
‘Hee, ik hoorde dat jij je baan kwijt was. Balen man.’ probeerde een vage bekende die Denis wel eens op een feestje had ontmoet een praatje met hem aan te knopen. Hij herinnerde zich nog dat beiden destijds in de keuken stonden op zoek naar de drankvoorraad en dat ze minuten lang niets anders wisten uit te brengen dan ‘Tja, wat verstoppen ze dat spul toch goed.’, ‘Ja, en ik kan echt wel wat vocht gebruiken’, ‘Anders ik wel.’
Denis wimpelde quasi onverschillig zijn droombaan weg met ‘ ach, het was maar tijdelijk. Genoeg andere banen.’
De groep groeide met enkele mensen die kwamen aangelopen verwelkomd door de hysterisch enthousiast krijsende Roel: ‘Hij is net zijn baan kwijt!’
Nou wist hij weer waarom het contact met deze zelfvoldane types de afgelopen haren verwaterd was. Die lui hadden genoeg aan zichzelf. Die hadden geen vrienden nodig maar alleen publiek.
De jongen die hem net aansprak, ene Victor meende Denis zich te herinneren, bleef ongemakkelijk bij hem staan, zoekend naar woorden om het gesprek weer op gang te brengen. Hij leek net iets gevonden te hebben toen Denis besloot hem voor te zijn om verder lijden te voorkomen: ‘Hee, ik ga weer eens. We spreken elkaar! We komen elkaar nog wel tegen.’
Opgelucht knikte Victor hem toe terwijl Roel er achter hem als middelpunt van het groepje een stuk minder ellendig uitzag dan vijf minuten geleden. Densi stak zijn hand nog op maar niemand reageerde nog.
Hij draaide zich om weg te lopen toen hij tegen Ralf knalde die net kwam aangelopen.
‘Ja, ik ben een beetje verlaat dus ik heb de activiteiten helaas aan mij voorbij laten gaan. Wel interessant want nu heb ik het gevoel kunnen ervaren terwijl ik voor een patatzaak een frietje stond te verorberen. Even heb ik nog geaarzeld of ik niet moest stoppen met eten uit een stukje respect maar dat zou toch ook weer zonde zijn van de friet die dan zou afkoelen.Een aanzienwaardig schouwspel als je ziet dat iedereen bij zo’n snacktent gewoon door eet of er niets aan de hand is. Hetgeen vanzelfsprekend ook eigenlijk zo is gezien het feit dat puur maatschappelijke conventies mensen nopen zich aan gedane afspraken te houden . En dat terwijl zowel de dierenwereld als in het buitenland niemand zich stoort aan de ooit gemaakte afspraak op dat tijdstip luttele minuten er het zwijgen toe te doen.’
‘Dag Ralf’ reageerde Denis koel op het geratel.
‘Hee,Ralf! Heb je het al gehoord? Denis is zijn baan kwijt!’ kwam Roel aangesneld.
‘Oh ja?’ bracht Ralf met zichtbaar grote moeite enige interesse op. ‘Ach, zelf heb ik me nog nooit bezondigd aan enige vorm van betaalde arbeid omdat ik uit principe weiger een bijdraagt leveren aan de verrotte kapitalistische maatschappij waarin we leven.’
‘Maar wel uitkeringen en subsidies ontvangen’ mompelde Denis verontwaardigd.
‘Mwaoh, die beschouw ik slechts als kleine genoegdoening voor mijn bijdrage aan de opbouw van een nieuw soort kunst en een nieuwe bewustwording in deze wereld. Ik zie het als een onderbetaalde bijdrage van de wereld aan wat ik hen te bieden zou hebben. Zo ben ik al enkele weken aan een project bezig om mensen bewust te maken van de ruimte die zo’n dichtgebouwde stad hen te bieden heeft. In ruil voor een kleine bijdrage verzorg ik rondleidingen langs alle pleinen in de stad die ik zwijgend met wijdse gebaren oversteek om mijn volgers te laten voelen welke ruimte hen ter beschikking staat.’
‘Je laat je dus betalen voor een woordeloze rondleiding pleinen slenteren? En loopt het wat?’
‘Ik ben natuurlijk nog niet zo lang bezig maar ik heb al enkele toeristen drie weken geleden bereid gevonden mijn tour te beleven. Sindsdien loop ik dagelijks de route. Op zich is het ook heerlijk dat er niet zoveel deelnemers zijn want dat zou immers alleen het gevoel van ruimte beperken! Ik heb me zelfs aangemeld bij de VVV als officiele stadsroute maar na enkele malen heb ik een verbod gekregen daar nog naar binnen te lopen. De cultuurbarbaren!’ snoof Ralf oprecht verontwaardigd.
‘Zeg mensen, ik ga hoor. Ik zie jullie wel weer’ kwam Victor even tussendoor.
‘Laten we even wat gaan eten. Ik heb nog niet gegeten!’ kraaide Roel.
‘Ik ga liever wat drinken’ zei Denis, in de hoop dat de avond nog gered zou kunnen worden.
‘Misschien later dan, eerst moet ik wat eten. Ik val om van de honger.’
‘Waarom heb je dan nog niet gegeten? Je was vandaag toch thuis?’
‘Ja, maar ik had een geniale inval die ik uit moest werken. Ik kon niet meer stoppen en moest wel doorgaan. Ik kan er nog niets over zeggen maar over een paar jaar zal je zeker te horen krijgen. Het is een idee dat de wereld zal gaan veranderen. Let maar op!’
‘Tipje van de sluier wellicht?’
‘Het heeft te maken met de maatschappelijke verantwoordelijkheid en burgerschapszin binnen de religies en kan het begin betekenen van een nieuw wereldwijs denkpatroon. We staan aan het begin van een revolutie op intellectueel en spiritueel gebied maar nu moet ik eten want anders ga ik dood.’
‘Zelf heb ik al een weinig gezonde doch smakelijke hap naar binnen maar ik weet wel een leuk tentje waar je even een gezonde voedzame snack voor een leuk prijsje kan krijgen.’ mengde Ralf zich weer in het gesprek.
‘Wie gaat er mee?’ schreeuwde Roel naar de rest van de groep die achter hen nog wat stonden te aarzelen.
De meesten namen afscheid maar twee anderen wilden nog wel mee en stelden zich voor aan Denis.
‘Hoi, ik ben Martijn en dit is de excuusallochtoon die ik voor de gelegenheid heb meegenomen: Achmed.’
‘Ik ga toch maar’ verontschuldigde Achmed zich.
‘Okee, dan zijn we daar ook weer van af. Vier Hollandse knapen op zoek naar een lekker hapje na de rituelen van zo’n jaarlijkse gezamenlijke treurmis. Was jij trouwens niet die dichter?’
‘Ik heb wel eens wat op papier gezet maar het is..’
‘Ja, volgens mij heb ik je wel eens zien optreden. Interessant was dat maar laten we gaan lopen.
Denis volgde de drie het plein over, onder de toren door de stad in. Aan de gracht zag hij zijn fiets staan. Hij aarzelde maar werd meegetrokken door Roel. ‘Kom, het gaat om een spoedgeval. Kunnen we daarna wel weer verder praten want we moeten even bijpraten.’
Verbouwereerd liet Denis zich meetrekken.
Voor een Turkse zaak hield Ralf halt. Met afschuw keek Denis naar de langzaam om een spit draaiende ovale massa vlees waar het vet van af droop en de vliegen niet van af te slaan waren. Roel bestelde een broodje shoarma speciaal, om bij het verlaten met volle mond waar de stukken onder het praten uit vlogen, schreeuwde: ‘ik ben wel vegetarisch maar dit spul is gewoon lekker. En zo draag ik ook mijn steentje bij aan de integratie, haha. Jij ook een hapje? ‘t is heerlijk!’
Denis gebaarde van niet en zakte zuchtend neer op het stoepje voor de shoarmatent. Ralf en Roel namen aan weerszijden van hem plaats terwijl Martijn afscheid nam en doorliep onder het mom van toch nog veel te doen te hebben.
Aan de ene kant voelde het wel weer vertrouwd om al die spoken uit het verleden weer eens terug te zien maar het voelde ook pijnlijk ongemakkelijk. Was hij nou zelf zo veranderd of waren hun levens uit elkaar gegroeid?
Echte vriendschap is je beste vrienden vermoorden had Roel ooit gezegd. Als dat zo was dan waren zij het niet meer waard om nog enige agressie jegens te voelen.
‘Hoe is het nou met die blonde vriendin van je?’ smakte Roel met zijn mond vol. ‘Is het nog wat? En had jij d’r ook niet wat mee gehad Ralf? Of was dat met die vorige?’
‘Het is al tijden uit. Ik ben al weer een tijdje single en dat bevalt me prima’ probeerde Denis.
‘Ja, nu je het zegt. En met die brunette van een paar jaar geleden heb ik ook ooit staan te zoenen!’ glunderde Ralf.
‘Jullie levens lopen gewoon parallel!’ straalde Roel, ‘dezelfde vrouwen, dezelfde carrière! Jullie zijn gewoon broeders zonder dat jullie het beseffen. Geestverwanten!’
Denis’ maag draaide zich om. Net nu hij had gedacht dat hij zich niet rotter kon voelen kwam daar de genadeklap. De door hem meest verachte persoon van deze stad, de grootste klaploper die hij ooit had ontmoet, een geestverwant noemen! En alleen de gedachte dat zijn vunzige smoelwerk de zelfde monden hadden beroerd die hem ooit zo teder wisten te kussen. Dat had hij nooit uit lust maar puur uit aandacht gedaan. De smeerlap had hem zelf ooit in een moment van openhartigheid verteld dat hij eigenlijk op kleine meisjes viel en dat hij zelfs had geprobeerd een baantje te krijgen bij de buitenschoolse opvang van een basisschool waar Lotje naar school ging, een meisje dat hij stalkte door elke middag van achter een boom te kijken hoe ze uit school naar haar fietsje liep en  naar huis fietste. Stratenlang bleef hij achter haar aan fietsen tot ze bij haar huis kwamen en hij afhaakte uit angst voor ontdekking van haar ouders. Hij had zelfs geprobeerd te achterhalen waar haar moeder werkte om zo met haar in contact te komen en Lotje nog vaker te kunnen zien. Hij kwam erachter dat ze op Spaanse les zat en ging ook naar die les. Per ongeluk kwam hij daar een oudere vrouw tegen die wel gecharmeerd van hem was en in plaats van zijn grote achtjarige liefde eindigde hij in een relatie met een vrouw die zijn moeder had kunnen zijn. Pas na drie maanden kwam hij weer van haar af. Hij was zogenaamd te beschaafd om haar zo snel te laten vallen en bovendien was hij wel gevleid door haar aandacht. Nadien had hij maar afgezien van verdere bezoekjes aan het schoolplein. Bovendien, had hij Denis bezworen, was hij geschrokken toen hij haar na een jaar weer op straat tegen kwam en ze al een echte puber begon te worden. Met een  knal spatte zijn droom van een relatie met Lotje uiteen en voelde hij zich niet meer aangetrokken.
En deze mislukte pedofiel zou gezoend hebben met zijn ex-vriendin? Hoe was dat mogelijk? Had hij haar gedrogeerd, dronken gevoerd en bedwelmd met chloroform?
Denis wilde opstaan maar voelde zijn benen zwabberen.
‘Hee, ga je al? We zouden toch nog wat drinken?’ vroeg Roel.
‘Een andere keer. Ik voel me niet zo goed. Ik moet even…’
Hij haalde net de gracht en klotste zijn maaginhoud naar beneden in het smerig stinkende water.
‘Yeagh, ik heb ineens niet zo’n zin meer in mijn broodje’
‘Geef maar hier. Ik lust hem nog wel’ grijnsde Ralf die zelf te zuinig was om zo’n broodje te kopen maar zich deze buitenkans niet liet ontglippen.
Denis griste het servetje uit Roel’s andere hand om zijn mond te ontdoen van gele stukjes die waren blijven plakken. Hij fluimde nog wat van zijn vieze smaak op de straat voor Ralf en Roel, knikte en liep naar zijn fiets.
‘Ik bel je nog wel!’ schreeuwde Roel hem na.
Denis keek nog even om naar het duo op het stoepje, beiden met klodders saus rond de mond en geen servet meer om het af te vegen. Het begon al flink te schemeren maar de klodders leken wel fluorescerend op te lichten.
Roel en bellen. Waarschijnlijk zou hij nooit meer wat te horen krijgen en dat was misschien maar beter ook. Denis schudde zijn hoofd en stapte op zijn fiets. Elke omwenteling van zijn wiel werd het een beetje donkerder om hem heen. Het was diep in de nacht toen hij door had dat hij de stad al lang uit was. Hij was blijven fietsen langs de gracht. Door weilanden, dorpjes, gehuchten, alsmaar langs het water tot de gracht rivier werd en uitmondde aan een grote plas waar hij zich van zijn fiets liet vallen en op het strand in een diepe slaap viel.

BOSKERST

Dit jaar zouden ze het eens heel anders aanpakken. Ze hadden er genoeg van om elk jaar weer weg te kwijnen in zelfmedelijden bij hun ouders thuis op bed om alle bezoek te ontlopen en ongestoord op te gaan in zelfmedelijden. Otto was met het idee gekomen en Mark had direct enthousiast ingestemd. Weer eens wat anders dan na enkele ellendige
feestdagen van reflectie tot de conclusie te komen dat het leven zinloos was en er geen god mogelijk kon zijn die zo sadistisch was om ons dat een zinloos mensenleven lang te laten ervaren.
Ze zouden een flinke boswandeling maken door het dikke pak sneeuw dat er lag op eerste kerstdag. Zo waren ze onbereikbaar voor de buitenwereld en konden ze zich afzonderen van al het commerciële feestgedruis. "Eén zijn
met de natuur" had Otto poëtisch opgemerkt.
Eenmaal in het bos stond Mark al snel te rillen van de kou. Hij had zich iets te dun gekleed voor de zware tocht. Otto gaf hem zijn sjaal terwijl Mark vergeefs aan zijn fietsslot stond te friemelen om deze op slot te krijgen. "Doe dan ook je wanten uit" snauwde Otto hem ongeduldig toe.
Met haast bevroren handen lukte het hem wel en snel trok hij zijn wanten weer aan.
Na drie kwartier sjokken door een steeds dikker groeiend pak sneeuw met snijdende wind in de gezichten voelden de sneeuwvlokken als gemuteerde hagelstenen. Het cafeetje in het bos waar ze chocola zouden drinken was niet open: "Gesloten wegens kerst". Dat was een tegenvaller met het dichtstbijzijnde dorp op minstens drie kwartier met bevroren ledematen terug kruipen voor de boeg.
Halverwege begon Mark schokkend te huilen, eerst zachtjes, uitmondend in een hartverscheurende oerkreet: "Waarom? Is het leven zo al niet zinloos genoeg?"
"Kom op man, we gaan toch niet dood?"
"Nog niet nee, was het maar zover! Hopelijk binnen het komende uur. Als er een God is: verlos me uit mijn lijden!" jammerde Mark.
"Ik krijg onderhand zelf de neiging om je daarmee wel te willen helpen!" snauwde Otto.
Het was al vroeg donker. Slechts enkele sterren die door de wolken schemerden gaven nog wat licht in het donkere bos.
Zwijgend bereikten ze de fietsen waar Mark waanzinnig in zijn zakken begon te graaien": "Nee hè? Laat het niet waar zijn! Ik ben mijn sleuteltje kwijt."
"Mooie manier om dood te gaan: met kerst te sterven van de kou diep in het bos!" reageerde Otto cynisch.
"Hou toch je mond, dit is echt niet leuk meer!"
Otto zette zich schrap voor nog een flauwe opmerking toen hij plots een straal maanlicht door het wolkendek heen zag schijnen op een mooi rond gaatje in de sneeuw. Hij liep erheen en graaide met zijn arm tot diep in de sneeuw. Lachend viste hij het sleuteltje omhoog.
"Hè? Hoe? Maar waar lag ie dan?"stamelde Mark verbaasd.
Met een lach die niet van zijn gezicht te branden was fietsten ze naar huis. Dit was de leukste kerst die ze ooit hadden gehad. Hij had Zich laten zien. Kerst zou nooit meer uitzichtloos zijn.

KERSTKINDJE

Lucas werd geboren op eerste kerstdag terwijl het buiten twintig graden vroor en binnen de kachel stuk was. Zijn moeder overleefde de geboorte niet en zijn vader gaf hem de schuld van haar dood en vertrok naar het buitenland om een nieuw leven te beginnen.
Lucas groeide op in een pleeggezin waar hij op zijn zevende verjaardag de kerstboom omgooide op zoek naar kadootjes. Deze vatte vlam omdat hij op een kerststukje viel met een brandende kaars (want een echte kaars stond wel zo gezellig). Binnen enkele minuten vatten de vloerbedekking en de gordijnen vlam. Lucas wist nog net op tijd naar buiten te vluchten maar zijn pleegouders kwamen erbarmelijk om in de vlammen.
Op zijn tiende verjaardag ging Lucas met zijn nieuwe pleegouders naar de dierentuin. Die bleek gesloten waarop Lucas in woede schreeuwde dat hij de stomste verjaardag van de hele wereld had en dat hij niet wegging zonder de dieren gezien te hebben. Zijn ouders gunden hem het pleziertje en zagen aan de zijkant een paar kisten staan waar ze op konden klauteren om over het hek te klimmen. Vader en moeder gingen eerst om Lucas aan de andere kant op te kunnen vangen. Voordat Lucas kon springen werden ze voor zijn ogen verscheurd door hongerige leeuwen die dit kerstmaaltje niet konden versmaden.
Op zijn dertiende verjaardag ging Lucas met zijn nieuwe zwaar gelovige pleegouders naar de kerkdienst. In tegenstelling tot gewone zondagsdiensten zat het met kerst bomvol. Mensen stonden op elkaar gepakt als bij een popconcert. Lucas hoorde in de verte de dominee galmen over welbehagen in de mensen maar hij kon niks zien door de staande meute voor hem. Hij snakte naar adem en mocht van zijn ouders even naar buiten om een luchtje te happen. Buiten sloot hij de deur achter zich en zag hij de sleutel nog in het slot steken. Voor de grap draaide hij deze om en voelde hem afbreken. Binnen steeg de temperatuur tot tropische hoogten. Er vielen enkele mensen flauw en door de paniek die ontstond werden velen vertrapt. Ook Lucas' derde pleegouders overleefden het niet.
Lucas besloot weg te lopen en op straat te gaan zwerven om niet langer anderen te belasten met zijn kerstvloek. Kerst ging redelijk lang ongemerkt voorbij. Hij sliep 's nachts op de meubelafdeling van een groot warenhuis. Tot hij op een dag verliefd werd, een baan vond en het verleden verdrong.
Vorig jaar stelde Lucas zijn geliefde voor op vakantie te gaan naar een land waar niet aan kerst werd gedaan. Zij koos voor Thailand. De eerste kerstdag verliep perfect aan het strand. Heerlijk zonnetje, lekker water. Zo'n mooie verjaardag had hij nog nooit gehad. De volgende dag overspoelde de tsunami het strand waarop zijn vriendin lag terwijl hij nog even zijn leesboek uit het hotel haalde. Hij zag haar nooit meer terug.
Naarmate kerst 2005 dichterbij kwam brak Lucas het angstzweet uit. Moest hij blijven schuilen? Of voor die tijd kiezen voor de dood van Brood? De hoge flat was hij al vele keren opgeklommen.
Lucas is al weken niet meer gezien maar mocht u in een goede kerstbui op straat nog iemand willen uitnodigen, vraag hem dan even wanneer hij jarig is...

EERSTE WERKDAG

Mijn eerste dag op mijn nieuwe baan. Ik heb net mijn eerste bakje koffie op als de telefoon gaat.
“Goedemorgen, met Samira, afdeling cursusaanmelding”
“Hallo, spreek ik met de hulpdienst? Kan iemand mij helpen?” gilt een vrouw in paniek.
“Waar gaat het om? Wilt u zich aanmelden voor een cursus?”
“Kan er iemand hierheen komen? Het is mijn zoon, hij wil zich…”
“Sorry mevrouw” onderbreek ik haar, “ik kan hier niet weg, maar kunt u uw zoon niet telefonisch aanmelden?”
“Waar heeft u het over? Hij wil zelfmoord plegen. Help dan toch. Stuur iemand!”
“Ik weet niet of u het juiste nummer heeft, u spreekt met de cursusadministratie van…”
“Ja, de crisisdienst, dat weet ik toch, dus waar wachten jullie nog op? Tot hij dood is? Schiet toch op!”
Ik twijfel. Wat moet ik doen? Misschien is het wel een zaak van leven en dood en kan ik iemand redden. Deze mevrouw is te zeer in de war om zelf het juiste nummer te vinden. Laat ik maar voor de zekerheid….”Wat is uw adres?”
“Rozenstraat 97 maar kom nou toch, willen jullie hem dood hebben of zo?”
“En uw naam?” ga ik professioneel door.
“Klaassen”
“en uw zoon heet?”
“Mark, maar..”
“Mevrouw ik ga kijken wat ik voor u doen kan. Blijft u bij uw zoon, dan komt alles goed.”
“Ja, maar ik kan niet bij hem! Hij heeft zijn kamer op slot gedraaid.”
“Mevrouw Klaassen, blijf met hem praten en ik regel hulp” besluit ik en ik leg de hoorn neer.
Wat te doen? Even kijken in het telefoonboek naar de hulpdienst. Ik bel het eerste nummer dat ik zie.
“Met Van Dommel, hulpdienst, wat kan ik voor u doen?”
“Met Samira Souadi, ik sprak net een mevrouw wiens zoon op het punt staat zelfmoord te plegen. Zouden jullie even bij haar langs willen gaan om te kijken of alles goed is?”
“Dan moet u niet bij de hulpdienst zijn mevrouw, dan zou ik de ggd bellen.”
“Oh, dankuwel, dan probeer ik dat.”
Ik zucht. Een collega komt binnen: “En? Al een beetje gewend?”
“Tja, ik heb wel meteen een probleempje: er belde net iemand over…”
“Dan moet je bij Jan zijn, die gaat over problemen. Ik werk niet op deze afdeling dus daar weet ik niets van.”
“Nee, maar het gaat niet om dit werk maar er belde een mevrouw die…”
“Jan zit twee kamers verderop, succes. Ik ga ook snel aan de slag voor ze me missen. Succes!”
Ik glimlach minzaam en denk: die sukkel zal mijn vriend niet worden.
Eerst maar es de ggd proberen.
“Met Samira Souadi, ik bel over een poging tot zelfmoord op de Rozenstraat 97.”
“Tja, mevrouw, dan kunt u het beste de ambulancedienst proberen. Daar gaan wij niet over. Goedendag.”
“Ja, maar er is nog niets…”
Opgelegd. De ambulancedienst dan maar.
“Is er nog niets gebeurd? Dan kunt u het beste de psychische hulpdienst bellen.”
Ik word er moedeloos van. Eerst die Jan dan maar eens proberen? Voorzichtig klop ik aan zijn deur.
“Ja, ah Samira! Nu al in de problemen? We houden hier wel van mensen die een beetje zelfstandig kunnen werken hoor.”
“Nee, het gaat niet om het werk maar ik kreeg net een raar telefoontje van een vrouw wiens zoon op het punt stond zelfmoord te plegen.”
“Verkeerd verbonden dus. Wat denken die lui toch? Dat we een hulpdienst zijn? We verzorgen hier alleen cursussen. Al die malloten. Maar wat is het probleem?”
“Moeten we niet wat doen om die mevrouw en haar zoon te helpen?”
“Ja, zeg, hoor eens, ik weet niet hoe ze dat bij jou thuis gewend zijn maar wij runnen hier een bedrijf. Als we daar aan beginnen komen we niet eens meer aan ons eigen werk toe.”
“Maar we zijn toch wel verplicht mensen in nood te helpen?”
“Ja, als ze voor je op de grond liggen dood te bloeden. Toch niet elk verkeerd verbonden telefoontje? Stel je voor! Verder nog iets?”
Ik schud van nee en loop terug naar mijn werkplek. Moet ik het maar uit mijn hoofd zetten? Ik probeer aan het werk te gaan maar hoor de hele tijd de stem van mevrouw Klaassen hysterisch in mijn hoofd krijsen: “Moordenaar!”
Ik bel het nummer van de psychische hulpdienst en leg de situatie uit.
“Klaassen van de Rozenstraat zet u? Ja, dat is een bekende. Daar is vanmorgen nog iemand heen gestuurd. Mark had zich voor de derde keer deze week proberen te verhangen. Hij is meegenomen naar het ziekenhuis maar na de controle weer met zijn moeder meegegaan naar huis. Die jongen blijft maar bezig maar we kunnen echt niks doen. Pas als hij weer onder de pillen zit kan hij opgenomen in het ziekenhuis maar na het leegpompen laten ze hem waarschijnlijk weer gaan.”
“Wat vreselijk allemaal.”
“Tja, zolang hij zelf geen hulp wil, kunnen we niets doen. Zo zijn de wetten in dit land mevrouwtje.”
En wat nu? Die arme vrouw en haar zoon aan hun lot overlaten? Ik heb hun nummer genoteerd van de nummermelder. Nog één keertje proberen ze te bellen of alles goed is en dan laat ik het varen.
“Hallo?” klonk een mannenstem.
Oei, dit moet de zoon zijn om wie het ging.
“Met Samira, ik belde even of alles goed ging.”
“Ja, waarom niet? En ik ken trouwens helemaal geen Samira.”
“Is je moeder misschien thuis? Zou ik haar even kunnen spreken?”
“Ik heb helemaal geen moeder!” liegt hij. Ik hoor een vrouwenstem gillen op de achtergrond dat hij haar erin moet laten. “Nou, dag hoor.”
Ik zucht en staar uit het raam. Wat kan ik nou nog doen?
Achter mij komt een collega binnen: “Zo nog steeds uit het raam aan het staren? D’r mag hier ook wel gewerkt worden hoor. Niks op tegen of wel soms?”
Ik doe of ik iets typ achter mijn computer tot de flapdrol weg is en pak dan mijn jas en tas. Door de achterdeur sluip ik naar het fietsenhok. Ik fiets zo snel ik kan naar de Rozenstraat.
De straat staat klem met auto’s die niet langs de ambulance kunnen. Een jongen van halverwege twintig wordt op een brancard naar buiten gedragen. Als hij me ziet lacht hij met een onsympathieke grijns naar me. In de deuropening hurkt zijn moeder tegen de deurpost: “Ik kan niet meer, ik kan niet meer.”
“Geen zorgen mevrouwtje, alles komt goed. Hij heeft maar een kleine dosis genomen. Morgen heeft u hem weer thuis” probeert een ambulancebroeder haar op te beuren.
Snikkend strompelt de vrouw naar binnen. Ik fiets door.
Thuis staat een berichtje van mijn werk op het antwoordapparaat. Dat het toch echt de bedoeling is dat ik aanwezig ben en werk verricht en dat ik morgen niet meer hoef terug te komen. Ik herken de cynische stem van Jan.
Ik ben moe. Het is nog vroeg maar ik ga naar bed. Voor mijn raam kirren enkele duiven.

STEUN VAN HET VOLK

Zelfs op mijn schoenen lag een laagje sneeuw. Ik leek wel een sneeuwpop en het bleef maar doorsneeuwen. Raakte die wolk dan nooit leeg? Ik schudde mijn hoofd voor een lokale mini sneeuwbui en ging weer door met flyeren want vandaag was de grote dag.
“Meneer!” kraakte mijn stem naar een man die als één van de weinigen in de stad de sneeuwwaarschuwing van het weerbericht genegeerd had.
“Geen tijd, sorry” mompelde hij, snel met grote stappen voorbij lopend.
In de verte doemde weer een schim op uit de sneeuwwolken.
“Mevrouw, gaat u vandaag..”
“Nee, ik geef niet aan goede doelen, het verdwijnt allemaal in de zakken van die rijke directeuren.”
“Ja, maar ik..” maar ze was al een winkel ingedoken.
Dat zou nog moeilijk worden vandaag. Misschien was het wel een voordeel dat alleen de doorzetters naar de stembus zouden gaan. Op die manier rolde er wellicht een verrassende uitslag uit de bus. Wie weet wist ik met een lage opkomst mijn negende plek op de lijst nog wel te verzilveren tot een raadlidmaatschap via voorkeursstemmen. Dan zou ik in elk geval de komende jaren weer verzekerd zijn van een vast inkomen. Ik mocht nu dus niet opgeven. Het zou niet aan mij liggen als het zou mislukken.
“Meneer, gaat u vandaag ook stemmen?”
“Neuh, ik zou nie weten op wie en het zijn toch allemaal schurken.”
“Maar wilt u dan geen mooiere stad? Wilt u geen zeggenschap hebben over een verbetering van deze stad of is alles voor u helemaal perfect?”
“Ach, het heb toch allemaal geen zin. Die politici zegge nu dit maar as ze aan de macht zijn doen ze het precies anders.”
“Wij van Stadsbelangen zijn het roerend met u eens en daarom gaan wij het eens helemaal anders doen. Wij garanderen dat we doen waar we voor staan, hier leest u dit maar eens door.”
“Hmmm…meer groen, betere huizen voor iedereen, minder onnodige belasting, hogere veiligheid, verbetering van het onderwijs. Klink allemaal wel goed. Weet u wat? Ik zal er es over denken. Dankuwel hoor.”
“Maar wel voor negen uur stemmen!” piepte ik hem nog na.
Nog net voor hij om de hoek verdween zag ik mijn folder als een propje over zijn schouder op straat stuiteren.
Mijn handen waren al bijna gevoelloos, mijn voeten voelde ik al drie kwartier niet meer en mijn oren begonnen nu pijnlijk te tintelen van de kou. Waarom wilden die idioten van de partij me dan ook niet op twee of drie zetten? Dan was de kans een stuk groter geweest om in de raad te komen. Nu zitten alleen die gekke Harrie en die leipe Leo in de raad maar drie zetels schijnen er dit keer wel in te zitten.
Die hele lijstindeling was één groot toneelstukje. In een groot rokerig lokaal zaten alle plaatselijke bobo’s die uitdrukkelijk niet bij de bestaande landelijke partijen wilden horen. Aan de wand hingen verkiezingsposters en op tafeltjes langs de wand lagen rolletjes pepermunt met een stickertje erop van de partij, vlaggetjes en goedkope foldertjes met op de voorkant de dikke voldane kop van Harrie en binnenin het verkiezingsprogramma van Stadsbelangen. Degene die het meeste geld in de kas had gestort kwam op één en als werkloze mocht ik dus al blij zijn met mijn negende stekkie. Ik had er dan ook mijn halve stripcollectie voor moeten verkopen om toch nog iets te kunnen storten in de kas. Mijn unieke eerste druk van Robbedoes, mijn speciale misdruk van “De kwakende gnoe”: allemaal verkwanseld voor het goede doel. Het mocht nu niet meer mis gaan. Aan mijn inzet zou het niet liggen. Naast de partijfolder had ik zelf nog een stenciltje in elkaar gedraaid dat ik gekopieerd heb en bij iedereen door de deur heb gegooid.
Ik bekijk mijn stapeltje in mijn hand nog eens. Ziet er toch goed uit.
“Laat u niet verleiden door toeters en bellen! Geen woorden maar daden dus stem voor het beste alternatief. Geen geldsmijterij met het geld van de burgers. Uw eigen persoonlijke vertegenwoordiger. Niet langer een kloof tussen burger en politiek want met Henk Derksen heeft u altijd een aanspreekpunt. Niet langer geneuzel in de marge maar alleen aandacht voor wat echt belangrijk is: meer natuur en veiligheid. Daar zet Henk Derksen zich voor in!
Meer sport voor de jeugd om overlast te voorkomen. Betere scholing, betere huisvesting en vooral minder belasting voor de burgers.
U heeft recht op een betere stad! U heeft recht op Henk Derksen in de raad!
Stem op Henk Derksen. Lijst Stadsbelangen, kandidaat nummer 9.”
En onderaan bij mijn naam een mooie flatteuze pasfoto die ik nog had liggen van het verlengen van mijn paspoort vorige maand. Dat kostte nog enige moeite om die er recht op te krijgen tijdens het kopiëren maar na drie pogingen lag ie zo goed als recht.
“Mevrouw, gaat u vandaag…”
“Heb ie kortingsbonnen? Waar is het van? Ken ik een broodje gratis krijge bij een kop koffie? Of is het van die nieuwe kledingzaak?”
“Nee, het gaat om de verkiezingen. Vandaag..”
“Oh, daar heb ik niks an. Da’s alleen maar liege en bedriege.”
“Maar nu niet meer mevrouw, want bij Stadsbelangen…”
“Ach, die hele stad kan me gestole worde. Ze kenne me poepe!”
Met een ferme slag sloeg ze de stapel foldertjes uit mijn handen om kakelend van de lach door te lopen. De blaadjes dwarrelden over de stoep en lagen al snel verspreid in een grote kring. Een groepje jongens schopten lachend een aantal foldertjes opnieuw de lucht in en de moed die al in mijn schoenen was gezonken, steeg nu naar mijn knieën die rauw werden van het gekruip over de harde bevroren klinkertjes.
Ik keek op mijn horloge. Tijd om naar het clubhuis te gaan om met zijn allen op de lokale tv naar de uitslag te gaan kijken. Maar eerst nog even een frietje pakken.
Ik gooide de nat geworden stapel in een vuilnisbak en hield er eentje achter voor in mijn plakboek. Die zou ik op de kachel wel drogen. Nog een paar uurtjes wachten en ik zou weten of ik mijn huur kon aanhouden. Anders moest ik als achtendertigjarige weer bij mijn ouders intrekken. Terug bij af. Alleen deze stad, deze kiezers konden mij redden. Als mijn buurman maar had onthouden op welke lijst ik sta. Hij was nogal vergeetachtig geworden door zijn overmatig drankgebruik maar het was de enige vriend die ik had in deze stad. Na vanavond zou ik weten of er toch meer mensen geloofden in mij.
Lang leve de politiek. Zij redt mensenlevens!

HET RECEPT

De meester had de spullen al klaar gezet. Ik was best nerveus. Mijn twaalfde verjaardag. Volgens mijn moeder een heel bijzondere dag want met twaalf werd “de onbezonnen jeugd afgesloten en mocht ik voortaan de volwassen wereld binnen treden". Mijn moeder was met het idee gekomen en de meester vond het een goed plan. In plaats van een kant-en-klare traktatie zouden we met de hele klas een heerlijk gerecht maken. Ik nam de ingrediënten en het recept mee dat mijn moeder nog van oma had gehad. Als de klas het ook maar leuk zou vinden. Zometeen keken ze me een half jaar niet meer aan.
“Jongens en meisjes. Vandaag gaan we wat speciaals doen. Omdat Roos jarig is gaan we een heerlijke groentetaart maken volgens een heel oud en bijzonder recept.”
“Meester, waarom krijgen we niet gewoon spekkies en trekdrop?”
“Nee Jaap, je weet: in mijn klas alleen gezonde traktaties. Maar wees niet bang want het wordt heel lekker en jullie leren meteen ook nog verhoudingen en maten. Dus eigenlijk is het in plaats van een gewone rekenles!”
Een gejuich steeg op uit de klas. “Hoera voor Roos” riep Henk.
Roos haalde opgelucht adem. Voorlopig bleek het toch een goed idee.
“Maar jullie moeten wel goed luisteren naar de aanwijzingen en precies doen wat ik zeg want het kan gevaarlijk zijn!” waarschuwde de meester.
“Pfff, wat kan er nou misgaan aan het bakken van een taart” smaalde Peter.
“Trek allemaal deze witte schort aan” negeerde de meester hem. Iedereen kreeg een mooie katoenen schortje die met hulp van elkaar achter gestrikt werd.
“Waar blijft mijn koksmuts meester?” vroeg Jaap brutaal.
“Eh, nu je het zegt: meisjes met lang haar moeten even een staartje indoen, anders kan hun haar in het eten terecht komen.”
“Meester, ik heb geen stiekje bij me” riep Saartje.
“Hier neem er maar eentje van mij, ik heb toch twee staartjes in” schoot Henriët haar te hulp.
“Okee, kinderen. Volg nu goed het recept op het papier en steek het fornuis pas aan als ik erbij sta. Duidelijk?”
“Ja meester” klonk het in koor.
“Fijn, dan ga ik eventjes toiletteren want de koffie begint zijn tol te eisen, gaan jullie maar vast aan de slag.”
Al snel werden overal pannetjes volgestouwd met groenten en kruiden. Spullen werden afgewogen. Ik zag dat Jaap veel te veel rode peper afwoog: “Er staat een mespuntje peper, niet een bord vol!”
“Ach joh, dat wordt lekker pittig. Daar hou ik van” brulde Jaap. “Als je het zelf maar opeet!” “Echnie!”
“Jaap, je mag het nog niet aansteken! Dat zei de meester toch.”
“Waarom niet? Anders komt het nooit klaar en ik heb honger”
“Nee, niet doen, geef hier die lucifer!” en ik sloeg het brandende houtje uit zijn handen.
Het dwarrelde midden in de hoop peper en opeens was er die steekvlam.
“Jongens, wat is er aan de hand? Wat hebben jullie gedaan?” kwam de meester in paniek binnen.
Hij rende naar de vlammende pan, pakte een overgebleven schort en dekte daarmee de pan af. Binnen enkele seconden vatte het schort vlam en begon het plafond te roken door de hitte. De meester pakte de pan beet en slaakte een kreet. Hij liet los door de hitte en liet de pan hard op de grond stuiteren. De brokken brandende groente vlogen door het lokaal. Binnen enkele seconden was het lokaal veranderd in een brandend inferno met overal hoopjes brandend materiaal. Al snel vatten de gordijnen vlam en kinderen begonnen te gillen. In een vlaag van wanhoop om nog iets te redden rukte de meester het gordijn los en vatte daarbij vlam. Hij schreeuwde het uit terwijl de vlammen uit zijn broek, zijn shirt en zijn haren sloegen. “Aan de kant, aan de kant!” gilde hij terwijl de kinderen gillend, schreeuwend en huilend in paniek naar buiten stormden. De meester ging brandend terug naar de wc en besproeide zichzelf met water om zichzelf te blussen.
Op het schoolplein stond mijn klas snikkend en in tranen te wachten tot de meester ook naar buiten zou komen. Net op tijd kwam hij met zijn handen ingezwachteld met handdoeken naar buiten, zijn gezicht vertrokken van de pijn: “Ga maar naar huis kinderen, jullie zijn vrij voor de rest van de dag!”
Gek genoeg klonk er ondanks dit goede nieuws geen gejuich op maar weken de kinderen langzaam naar achter, vol angst naar hun geblakerde meester kijkend. Achter hem sloegen de vlammen uit het noodlokaal op. De meester leek, met zijn zwarte gezicht, brand geblakerde kleren en haar en met de wilde vlammen in de rug opeens op een duivel die zijn hel streng bewaakte.
Toen stortte het noodlokaal in en begonnen de kinderen te rennen en hysterisch te gillen of hun leven er vanaf hing.
Hijgend en piepend en onder de tranen kwam ik thuis toen ik me bedacht dat mam nog op d’r werk was. Gelukkig had ik nog wel mijn mobieltje meegenomen. Ik ademde diep in en belde haar nummer.
“Met mama. Is het gelukt? Vonden ze de Hadesquiche lekker?”
“Mama, het was verschrikkelijk: alles stond in de fik en de meester is verbrand en de school is ingestort en…” snikte ik.
“Waar ben je? Ben je veilig? Ik kom eraan. Is alles goed met je?”
“Mama, dit was mijn vreselijkste verjaardag ooit! Kom snel”
Ik hoorde mama snel opleggen.
Als dit het volwassen leven zou worden, bleef ik liever kind. Maar een terugweg leek uitgesloten. Mijn jeugd was voorbij.

DE GOEROE

Al twee jaar was ze verbeten bezig alles te regelen: vliegtickets, hotels, hulp bij het instappen en uitstappen tot ze alles rond had. Met kerst zou ze terug zijn en kon haar nieuwe leven beginnen.
Ze wilde zo graag nog één keer naar India om Sai Baba te ontmoeten. Ze geloofde sterk in zijn machtige gaven. Alleen hij zou de slopende ziekte die haar lichaam nu al jaren langzaam verwoestte, kunnen stoppen. Hij had de macht om haar het leven terug te geven waar ze recht op had. Ze was immers nog maar 35, veel te jong om nu al te sterven.
Haar moeder lachte haar uit: “Kom op Mariska, accepteer het nou gewoon. Dat hoort bij het leven. In een volgend leven kom je genezen terug volgens die Ali Baba van jou dus waarom zou je al die moeite doen? Zonde van die paar maanden die je volgens de dokter nog hebt.”
Haar besluit stond echter vast: ze zou er alles aan doen om haar odyssee te volbrengen.
Op schiphol was de beloofde verpleegster niet op komen dagen. Een vriendelijke steward regelde gelukkig twee sterke mannen die haar uit haar rolstoel het vliegtuig in sleurden. Als een zak aardappelen gooiden ze haar in haar stoel. Pas toen ze al in de lucht waren piepte ze zachtjes naar een stewardess of die haar shirt naar beneden wilde trekken omdat zij dat niet meer kon door haar spierziekte. Met een gezicht vol walging had de stewardess haar shirt over haar onbedekte borsten getrokken.
In India aangekomen bracht een taxi haar snel naar haar hotel waar de reservering niet bleek doorgekomen. In het holst van de nacht vond ze na uren zoeken een kamer op de achtste verdieping van een hotel in een buitenwijk. Gelukkig was het maar vijf treden naar de lift.
De ingehuurde verpleeghulp kwam drie dagen te laat. Vervolgens bleek ze tot diep in de middag uit te slapen van alle nachtelijke feestjes in de stad. En dat terwijl de taxi alleen ’s ochtends vroeg de lange reis naar het paleis van Sai Baba kon maken. Sai Baba zat alleen ’s middags tussen twee en vier op zijn balkon om de menigte op het grote plein te bekijken. Pas als hij iemand meer dan drie keer had opgemerkt mocht diegene op audiëntie komen en kennis maken met zijn goddelijke gaven. Na anderhalve week was het Mariska nog maar twee keer gelukt de lange reis te maken.
Ze had nog maar drie dagen. De paniek sloeg toe. Tot nu toe was ze vriendelijk gebleven tegen het meisje maar ze schold haar de huid vol toen ze weer om drie uur ’s middags uit haar bed kwam. Het meisje haalde haar schouders op en sloeg woedend de deur dicht, Mariska wanhopig achterlatend. Haar missie was nu kansloos. Haar laatste hoop vervlogen.
Met kerst zat ze met de hele familie bij haar moeder thuis te huilen aan tafel. Ze had bijna niet meer kunnen stoppen sinds ze terug was.
“Kom op zeg, ik had het toch gezegd. Hou het tenminste voor anderen gezellig!” snauwde haar moeder. Mariska rolde naar haar kamer en deed de deur achter zich dicht. Nog even geduld en het zou nooit meer kerst zijn.

Poëzie - Vis met oren

Schrijf een gedicht zo dat

Het raam breekt als je het er door gooit

              -Daniil Charms-

 

er was leegte die gevuld zou worden

wind die luwen zou en straks

de zon, die als een zoeklicht

langs de hellingen zou gaan

              -Myriam van Hee-

TUIN

Sloffend met zijn koffertje

naar het einde van de tuin

bukt hij voozichtig

om met trillende handen

zijn vingertoppen te bevochtigen

met water uit de vijver

 

Verder durft hij niet te gaan

om het lot niet te tarten,

niet voorover te tuimelen,

zijn evenwicht te verliezen

want elke beweging kan fataal zijn

 

“Zonde”zucht hij,

“zonde van het water

dat voor de vogels had kunnen zijn

of voor een langs dalende zwerfkat

terwijl het nog maar de vraag is

of de regen het binnen

afzienbare tijd aan kan vullen

 

En elke mogelijkheid zal benut

moeten worden van mijn vader”

mompelt hij, zijn koffertje openend,

uit een zijvakje vist hij een doekje

waarmee hij zijn vingers droogt

om vervolgens uiterst nauwgezet het doekje

terug te vouwen op de oorspronkelijke naden

en in het vakje te te plaatsen

alsof het niet weg was geweest

 

 

“Nu is het af”fluistert hij zacht

naar de libelle die verbaasd

over zijn nog geopende koffer helicoptert

 

Het slot gaat dicht,

het koper met zijn mouw

nog even gepoetst

om dan terug te slenteren

naar het serreraam

waar hij uren blijft staan

gluren in een lege kamer

 

niemand die hem ziet

of binnen laat

met zijn koffer stevig omklemd

Soms is een reis te lang

om te bevatten

ETENSRESTEN

We eten domweg teveel

op wegen waar plots vee kan oversteken,

waar honden ons doen struikelen,

waar elk seizoen verwaait met de wind

en niemand kijkt of er ooit iets

van al die mooie wijze woorden terecht komt

 

schril was het contrast

tijdens een regenachtige bomaanslag

in de vruchtbare valleien

waar we dagenlang werkten

voor het brood van morgen,

tussen de berusting van de gevallenen

en het verdriet van hun nabestaanden

 

de lege handen die dwaalden

over de verlaten velden,

zoekend naar alternatieven

zo luchtig mogelijk te vertrekken

nu het nog kan,

voordat ze gevuld zullen zijn

met zanderig bloed

 

Daar dansen ze,

gevrijwaard van geestelijke verontreiniging

want ze praten niet

maar leven in gebaren

zonder argwaan voor het geboden maal

na elke verwoestende neerslag

ONTRUIMING

Met een vlinder op mijn rechter

en op mijn linkerhand

waad ik door mijn zelfvertrouwen

naar de brug

over een vloer die vervaagt

 

Net als de boom

die op een dag verdween,

wellicht gevlogen

met vleugels van fluweel

die nooit ineens ontstonden

in mijn gedachten

 

De subtiele verschillen

die we kennen als we terug kijken,

omvallend en huilend,

om sterker op te staan,

wetend dat thuis

nooit meer een optie is

 

Ons hele leven getracht

om eruit te treden,

schreeuwend met ultieme kracht,

gezongen door de longen,

onderste boven bungelend

aan onze tenen,

verstrikt in het net van onze geschiedenis

dat slechts een korte melodie

in het eeuwige lied mocht zijn

 

Verborgen in mijn maag

ligt de waarheid in een hoekje

te verteren,

klaar om redenen te accepteren

hier te zijn

 

Geen noodzaak voor verwondering;

slechts bevestiging van het ongezegde

brengt ons in de cirkel

van brandende kaarsen,

schuddend met de hoofden

op het ritme van de ontkenning

LMN8

De lichamen op straat,

levend nog en warm

op het koude asfalt,

ademen de lucht in

van het ijshotel

 

Dunne flinters

ontlenen hun warmte

aan de liggende bronnen

tot ze dreigen af te koelen

 

Natte grote tenen

steken als stalagmieten omhoog

uit het vleeskleurige landschap

waar rust heerst

 

Dan valt het teken,

zwelt een geroezemoes aan

tot instemmende kreten

van degenen die herrijzen,

onwennig wankelend

van het terrein strompelend

om er niet meer terug te keren

Het beeld blijft slechts achter

VOORNEMEN

Mijden wil ik

hen die nemen

Kiezen wil ik

hen die delen

 

genoeg gegeven:

het halve leven al voorbij

en terug bij af,

gebukt onder erfenissen

 

Terug wil ik

naar mijn idealen

die nog niet vervlogen zijn

 

Hij is ook geboren

voor de afvalligen

om ook hen te bergen

die niet langer kunnen

ontsnappen

TSUNAMI

De rand van de stad is nog niet bereikt

We nemen de trap naar beneden

om via de straat te ontkomen

 

De vlucht is zorgvuldig voorbereid,

zo snel laten we ons niet verrassen,

en langzaam kruipt het leven

waar we het niet verwachten

 

De stilte doorbreekt de paniek,

de schreeuw van de dolfijn

doet de tijd even stil staan

bij de onschuld van een wereld

die eeuwig dacht te bestaan

 

Verzet is allang overbodig,

vluchten niet langer nodig

we moeten accepteren

dat de golven

ons genadeloos en grondig 

schoon spoelen,

voorgoed fragmentarisch verspreid

LAVA

Geen bodem meer

alleen de steile rotswand

die verdwijnt in een diepte

zo ontzagwekkend en ongenaakbaar

dat ze onbereikbaar is

 

Een ondoordringbare zwarte leegte

wacht ons op, tussen de los liggende rotsen

waar we ons onoverwinnelijk achten

tot de constellatie verschuift

 

Door elkaar geschud

glibberen we dieper

hopend te ontkomen

tastend naar meer grip

 

De reus mompelt in zijn slaap

maar zal al snel ontwaken

De stad rust nu nog in vrede

als een onbedwingbaar baken

 

De aders op je hoofd

gaan sneller bonzen

totdat de finale explosie

ons lachend bevrijden zal